Recreatief
52,6 km
Je fietst rondom de langste grensrivier van Nederland, het Schoonebeekergebied tussen Schoonebeek en Nieuw-Schoonebeek. In een groot deel hiervan stonden booën, veestallen voor ieder zo'n 20 runderen. Ze zijn inmiddels verdwenen maar waren meer dan 500 jaar belangrijk in de vetmesterij van runderen voor de voedselvoorziening in Nederland en Noord-Europa.
Parkeren en navigatie
De route start in het centrum van Nieuw-Schoonebeek, bij de toren van de voormalige katholiek Bonifaciuskerk. Hier is voldoende parkeergelegenheid op de parkeerplaats aan het begin van de Kerkenweg (bij de huidige katholieke kerk). Adres voor navigatie: Kerkenweg 1, 7766 AT Nieuw-Schoonebeek. De parkeerplaats ligt tegenover dit adres.
Routebewegwegwijzering
De booënroute is NIET voorzien van een aparte bewegwijzering, maar volgt bijna volledig de Fietsknooppunten.
LET OP: ontbrekende nummers Fietsknooppunten in de routebeschrijving
In deze routebeschr…
Je fietst rondom de langste grensrivier van Nederland, het Schoonebeekergebied tussen Schoonebeek en Nieuw-Schoonebeek. In een groot deel hiervan stonden booën, veestallen voor ieder zo'n 20 runderen. Ze zijn inmiddels verdwenen maar waren meer dan 500 jaar belangrijk in de vetmesterij van runderen voor de voedselvoorziening in Nederland en Noord-Europa.
Parkeren en navigatie
De route start in het centrum van Nieuw-Schoonebeek, bij de toren van de voormalige katholiek Bonifaciuskerk. Hier is voldoende parkeergelegenheid op de parkeerplaats aan het begin van de Kerkenweg (bij de huidige katholieke kerk). Adres voor navigatie: Kerkenweg 1, 7766 AT Nieuw-Schoonebeek. De parkeerplaats ligt tegenover dit adres.
Routebewegwegwijzering
De booënroute is NIET voorzien van een aparte bewegwijzering, maar volgt bijna volledig de Fietsknooppunten.
LET OP: ontbrekende nummers Fietsknooppunten in de routebeschrijving
In deze routebeschrijving was het technisch (nog) niet mogelijk een aantal Fietsknooppunten mee te nemen die in Duitsland liggen. Wij geven u daarom hier de volledige route volgens de Fietskooppunten. De vetgedrukte nummers ontbreken in de routebeschrijving.
88 - 89 - 98 - 63 - 13 - 68 - 70 - 08 - 39 - 45 - 14 - 11 - 92 - 25 - 46 - 38 - 54 - 94 - 41 - 34 - 01 - 03 - 86 - 88.
Route splitsen
De route heeft een lengte van 52,6 kilometer, maar kan ook in twee delen worden gefietst. U kunt bij Fietsknooppunt 46 namelijk binnendoor fietsen terug naar het startpunt 88. Aan Duitse zijde rijdt u eerst over de Schoonebeeker Diek en als u het Schoonebeekerdiep hebt overgestoken, gaat dit over in de Aalminksweg. Aan het einde van deze weg bent u terug op het startpunt in Nieuw-Schoonebeek.
Honden
De fietsroute gaat over openbare wegen en er gelden geen verboden voor het meenemen van honden.
Eten & Drinken
Wil je wat eten of drinken tijdens deze fietstocht? Dat kan bij verschillende horecagelegenheden in met name Twist en Schoonebeek. Een groot deel van de fietsroute gaat echter door een gebied waar geen horecagelegenheden beschikbaar zijn. Dus houdt u daarmee rekening tijdens uw fietsroute. Neem bijvoorbeeld in ieder geval voldoende drinken mee voor onderweg.
Fietsknooppunt 88
Nieuw-Schoonebeek
Navigeer naar startpunt
Nieuw-Schoonebeek
Navigeer naar startpunt
De Bonifaciuskerk werd in 1849 gebouwd op de gronden van de voormalige Gommersboo. De kerk werd in de 20e eeuw afgebroken maar de kerktoren bleef behouden.
In oktober 1849 werd de nieuw gebouwde katholieke kerk in Nieuw-Schoonebeek ingewijd door Van Kessel, aartsbisschop van Zwolle. In de courant stond: ‘De talrijke bevolking, die zich allengs in die afgelegene streek neerzette, had tot nog toe geene andere gelegenheid tot openbare godsdienstoefening dan in het Hannoversche dorp de Twiest.’ In mei 1855 werd de statie Nieuw-Schoonebeek door de aartsbisschop van Utrecht verheven tot de parochie van de heilige Bonifacius. De katholieke zaalkerk stond op het huidige adres Europaweg 141. De kerk, gebouwd in een sobere neo-Romaanse stijl, en het bijbehorende kerkhof werden gesticht op de grond van de voormalige Gommersboo. De locatie van de kerk was nogal een discussie geweest. De van oorsprong Münsterse parochianen kregen ruzie over de plaats van hun kerk: op het oosten, op het westen of midden in het dorp. De overheid hakte de knoop door en besliste dat de kerk midden in het centrum kwam te staan. De oude kerk werd in 1967 afgebroken, terwijl de kerktoren bleef staan. Het was deze toren die Vincent van Gogh in oktober 1883 op één van zijn schilderijen vastlegde, toen hij in Zuidoost-Drenthe woonde en werkte.
Al vanaf de bouw van de kerk liep er een zandweg van de kerk naar het Schoonebeekerdiep of GrenzAa. In 1871 was aan de huidige Duitse overzijde een openbare weg aangelegd vanaf Grossringe. Daarop wilden de Nieuw-Schoonebeekers ook een weg aanleggen naar de grensrivier. In 1872 gaf de gemeenteraad van Dalen, waaronder Nieuw-Schoonebeek toen nog viel, daarvoor toestemming en werd de weg aangelegd. En er kwam ook geld voor een nieuwe brug, die de Aalminksbrug werd genoemd omdat deze lag ter hoogte van de Aalminkshof, wat vroeger de Aalminksboo was geweest. Rond 1814 werd op de kruising van de Hoofdstraat en Aalminksweg een grenskantoortje gebouwd, dat rond 1936 alweer werd afgebroken. De Aalminksweg is nog steeds een verbinding tussen Duitsland en Nederland.
Hendrik Gommers verkocht in december 1826 voor ƒ 1.450 de Gommersboo – op welke grond de kerk was gesticht – aan landbouwer Jan Harm Wubbels, die tussen 1822 en 1825 vanuit Gross-Fullen met zijn gezin in Nieuw-Schoonebeek was komen wonen. De familie Gommer woonde op de Gommerhof, die direct ten oosten van de hervormde pastorie in het centrum van Oud-Schoonebeek stond, het huidige adres Europaweg 110. De oudst bekende voorvader is Henderick Gommaer, die rond 1530 werd geboren. Het eigendom van de Gommerhof ging generaties van vader op zoon of schoonzoon over. Na het overlijden van Hendrik Gommers in 1846 en zijn vrouw Geertruid Wenny in 1853 erfde hun dochter Jantje Gommers, getrouwd met Jan Stokman, het erve. Zo kwam de Gommershof in handen van de familie Stokman. Rond 1923 werd de oude Gommershof afgebroken en werd er een nieuwe boerderij op dezelfde plek gebouwd.
De Bonifaciuskerk werd in 1849 gebouwd op de gronden van de voormalige Gommersboo. De kerk werd in de 20e eeuw afgebroken maar de kerktoren bleef behouden.
Op Europaweg 143A staat het Museum Janning, ondergebracht in de voormalige pastorie van de Bonifaciuskerk. In dit museum ziet u de collectie kerkelijke kunst die pastoor Hein Janning tijdens zijn leven verzamelde. Aanvullende collecties werden verworven. Er wordt ook over de booën verteld.
Op de voormalige boo van de familie Wenny werd na een strijd met de kerk in Twist in 1825 een noodbegraafplaats ingericht, die tot 1855 in gebruik was. Toen werd het kerkhof bij de nieuwe Bonifaciuskerk in het centrum van het dorp ingezegend en kon hier worden begraven.
In 1788 werd op de Twister Bülte in het koninkrijk Hannover een kerkhof aangelegd. Hier werden ook de doden uit het booëndorp Nieuw-Schoonebeek begraven. In 1819 werd op deze bult de Sankt Georgskerk gesticht. De Nieuw-Schoonebeekers mochten gebruik maken van deze kerk en het kerkhof. Maar in 1825 ontstonden problemen met het kerkbestuur van de Georgskerk en de Nieuw-Schoonebeekers mochten geen gebruik meer maken van de kerk en het kerkhof. Er werd toestemming gevraagd aan de Gouverneur van Drenthe en vanaf 1825 mochten de doden op eigen grond in Nieuw-Schoonebeek worden begraven. Er werd een noodbegraafplaats ingericht, waarvoor Jan Berend Borg de grond ter beschikking stelde. Die kreeg als officiële naam: ‘Naamloze Begraafplaats Nieuw-Schoonebeek’.
Berg had de grond in gebruik van de Schoonebeeker boerenfamilie Wenny. Het was een voormalige boo van deze familie. Zij verkocht de boo met alle daarbij behorende landerijen in december 1826 aan Jan Berend Blaauw, die de westelijke helft kocht, en het oostelijke deel aan Jan Berend Borg. Daardoor kon Borg het voormalige booterrein als noodbegraafplaats ter beschikking stellen. De strijd met Twist was inmiddels bijgelegd: ‘Was er iemand gestorven, dan kwam de pastoor van Twist om hem onder de kerkelijke gebruiken te begraven.’ Begrafenissen op deze begraafplaats vonden plaats tot het moment van de inzegening van het nieuwe kerkhof bij de nieuwe kerk in het centrum van Nieuw-Schoonebeek in juli 1855.
In juni 1866 werden dochter Euphemia Gesina Borg en schoonzoon Jan Hendrik Schwieters eigenaar van het terrein, en na hun zoon Bernardus Hendrikus Schwieters. Na zijn overlijden huwde zijn weduwe in mei 1908 met Georg Büter uit Lindloh. En daarmee werd de naam Büter verbonden aan deze voormalige begraafplaats. Deze raakte sterk verwaarloosd. De randen werden beschadigd door grazend vee en er kwamen zelfs beenderen bloot te liggen. In 1978 werd de dodenakker hersteld en een houten hek geplaatst. Uit onderzoek is gebleken dat er waarschijnlijk 18 personen zijn begraven in de periode 1827-1851, variërend van 7 dagen tot en met 84 jaar oud. Er liggen voornamelijk jonge kinderen begraven in de leeftijd van 7 dagen tot en met 5 jaar oud.
Op de voormalige boo van de familie Wenny werd na een strijd met de kerk in Twist in 1825 een noodbegraafplaats ingericht, die tot 1855 in gebruik was. Toen werd het kerkhof bij de nieuwe Bonifaciuskerk in het centrum van het dorp ingezegend en kon hier worden begraven.
In deze omgeving stond vroeger de boo van de rijke Schoonebeeker familie Crusen. In 1935 werd hier een muntschat gevonden uit de periode 1533-1558 en dus al voor de Tachtigjarige Oorlog. Boer Crusen heeft ze hier waarschijnlijk als zekerheid in de grond gegraven.
Een onbekende naam onder de Schoonebeeker families is die van de familie Crusen. Zij bewoonde vanaf het einde van de 16e eeuw een boerderij aan het Westersebos 18. De familie kwam niet uit Schoonebeek. Berent Cruise, geboren omstreeks 1559 verklaarde in 1643 dat hij rond 1580 in Schoonebeek was komen wonen. Hij was waarschijnlijk ingetrouwd bij de familie Uninge of Uny, die op dat moment op de oude Eninge- of Uny-hofstede aan de Norbruislaan 14/19 en Middendorp 24 woonde. De familieboerderij werd waarschijnlijk te klein en tussen 1580 en 1597 werden drie nieuwe boerderijen gebouwd in het Westersebos, de huidige huisnummers 18, 20 en 22. Daarvoor waren drie opstrekkende plaatsen gekocht tussen de opstrekken van het Bisschops- of Andrieserve en die van de families Wenny en Sassen. Een verre nakomeling van Berent Cruise was erfopvolger op het Crusenerve. Zijn naam was Berent Kroesen. Hij had geen mannelijke nakomelingen, maar vier dochters waarvan er drie jong overleden. Dochter Geesje trouwde in 1776 met Hindrik Wilms, zoon van de welgestelde familie Wilms uit het Oostersebos. En daarmee verdween de naam Crusen of Kroezen voorgoed.
De familie Crusen had uiteraard een boo, die bijna tegen de Duitse grens aanlag op het oosten van Nieuw-Schoonebeek. Tussen 1806 en 1824 werden de veestalling en hooischuur afgebroken. In december 1826 verkocht schoonzoon Hendrik Wilms de boogronden aan Jan Harm Gelshoorn, Berend Hendrik Lammerts en Jacob Rooschen, landbouwers in Nieuw-Schoonebeek. In de zomer van 1935 waren een aantal arbeiders bezig met grondontginning op de voormalige boogronden van de Crusenboo. Zij vonden daarbij een twintigtal munten, die van Spaanse afkomst waren en uit de 16e eeuw dateerden. De jaartallen 1533, 1558 en de naam van Filippus-Hisp, ofwel koning Philips II van Spanje, waren te lezen. De munten dateerden dus al van voor het begin van de Tachtigjarige Oorlog in 1568. De munten werden op een diepte van een halve meter gevonden en hadden waarschijnlijk in een stenen pot gezeten. Tijdens de oorlog tegen de Spanjaarden trokken deze bij de Wilmsbrug over het Schoonebeekerdiep, maar gingen naar het westen en niet in oostelijke richting, waar de Crusenboo stond. Het ligt voor de hand dat de familie Crusen – uit angst dat hun boerderij in het Westersebos wel eens ten prooi kon vallen aan Spaanse plunderaars – de munten in een stenen pot in de grond bij de Crusenboo heeft begraven.
In deze omgeving stond vroeger de boo van de rijke Schoonebeeker familie Crusen. In 1935 werd hier een muntschat gevonden uit de periode 1533-1558 en dus al voor de Tachtigjarige Oorlog. Boer Crusen heeft ze hier waarschijnlijk als zekerheid in de grond gegraven.
Het Bargerveen is het grootste hoogveengebied van Noordwest-Europa. Het werd zo'n 10.000 jaar geleden gevormd en was ooit 3.000 vierkante kilometer groot. Toen het veen begon te groeien ontwikkelde zich hier het Bourtanger moeras. Er was al bewoning in 5.000 en 6.500 voor Christus.
Het Bargerveen is één van de laatste nog ongerepte hoogveengebieden in Noordwest-Europa en ligt direct ten noorden van het booëngebied in de Schoonebeeker marke. Na de laatste IJstijd begon zo’n 10.000 jaar geleden het klimaat warmer en vochtiger te worden. In het stagnerende water van de beekdalen ging veenmos groeien. Het veen bleef doorgroeien en zo ontwikkelde zich tussen de rivieren en Hunze en Eems een enorm veenmoeras: het Bourtanger moeras. Het was ooit 3.000 vierkante kilometer groot, waarvan een klein gedeelte tegenwoordig wordt beschermd als het natuurgebied Bargerveen. Uitlopers van de Hondsrug strekten zich uit tot in het gebied van het huidige Nieuw-Schoonebeek.
In mei 1984 werd ten oosten van Nieuw-Schoonebeek op een keileemschol een nederzetting gevonden uit de perioden van 5000 en 6500 voor Christus. Blijkbaar was er tot twee maal toe sprake van Mesolithische of Middensteentijdse activiteiten op deze plek. Er werden in het onderzoeksgebied elf brandhaarden gevonden en in totaal 7.645 vuurstenen voorwerpen, waarvan drie procent als werktuig was gebruikt: trapezia, schrabbers, klingen en kernen. De jagers en vissers die hier toen verbleven hebben hun sporen nagelaten voordat er sprake was van veenvorming. Ze hadden er maar een verblijf van korte duur. Een deel van het houtskool van de haardjes was afkomstig van bomen met dikke stam, zodat er zeker bomen gekapt zijn. Toen ze plek weer verlaten hadden, zullen de open plekken na enige tijd weer met bos overgroeid zijn geweest.
Het lijkt erop dat het daarna lang heeft geduurd voor er weer menselijke activiteiten in dit gebied waren. Waarschijnlijk waren dat de Schoonebeeker boeren die in ieder geval al in het begin van de 15e eeuw hier hun booën plaatsten en hun runderen hier weidden.
Eén van de gevaren waarmee de veehouders te maken hadden was de wolf. In de 16e eeuw kwam deze nog voor in Noord-Nederland. In 1645 werd nog de vergoeding vastgelegd voor o.a. een uitlandse wolvenjacht over Lintelo of over de Twist. Dit betekende dat er gemeenschappelijke wolvenjachten werden georganiseerd door de Drenthen, Munstersen en Sallanders, ondermeer in de Twist in het uiterste oosten van het Schoonebeeker booëngebied. In juli 1656 vond er zo’n grote gezamenlijke wolvenjacht plaats, waarbij de inwoners van Gross-Fullen, Klein-Fullen, Versen, Ringe, Rühle, Klein-Hesepe, Gross-Hesepe, Boeklo, Dalum, Wachendorf, Wietmarschen, Velthusen en Schoonebeek moesten deelnemen: ‘daβ im Moraβ zwischen Hesepe, Withmerschen und Schonebecke belegen Wulfe befunden werden’. Vanuit de oostelijk gelegen plaatsen in het bisdom Münster werd naar het westen gedreven, en vanuit het westen – o.a. vanuit het booëngebied bij Schoonebeek – werd opgedreven naar het oosten. Op deze wijze zou de wolf moeten zijn ingesloten. Met een jachtnet en speciale tangen werden de wolven gevangen en daarna gedood.
In 1740 schoten de inwoners van Dalen en Schoonebeek een tamelijk jonge wolf, die eerst in Schoonebeek en daarna in Dalen in triomf aan een paal werd gehangen. In september 1772 werd voor zover bekend de laatste wolvenjacht in Drenthe gehouden. Diverse kerspelen uit Drenthe namen deel, o.a. de inwoners uit Schoonebeek, die het veen boven Zuidbarge moest doorjagen en de maden tussen Sleen en Emmen.
Het Bargerveen is het grootste hoogveengebied van Noordwest-Europa. Het werd zo'n 10.000 jaar geleden gevormd en was ooit 3.000 vierkante kilometer groot. Toen het veen begon te groeien ontwikkelde zich hier het Bourtanger moeras. Er was al bewoning in 5.000 en 6.500 voor Christus.
Na vele eeuwen strijd over de grens tussen Hannover en Nederland werd in juli 1824 de definitieve grens vastgesteld. Er werden diverse grensstenen van Bentheimer zandsteen opgesteld. De Schoonebeeker boeren verloren zes booën in dit gebied.
Nadat in juli 1824 tussen de koninkrijken van Nederland en Hannover de definitieve grens was vastgelegd in een grenstraktaat, werd de grens aangegeven middels grensstenen en -palen. Voor de markering van de grens waren in totaal 203 hoofdstenen nodig, maar voor zover bruikbaar werden oude stenen gehandhaafd. De stenen moesten gehouwen worden uit een Bentheimer steengroeve en werden voorzien van de letters H(annover) en N(ederland), het jaartal 1824 en een steennummer. Het grensgebied tussen Nieuw-Schoonebeek en Münster, de zogenaamde Twist, werd aangegeven met stenen 155 tot en met 159, die in augustus 1825 werden geplaatst. De grenspalen stonden zowel aan de Nederlandse als aan de Duitse zijde. De grensstenen 151 tot en met 156 werden geplaatst langs het Schoonebeekerdiep of de GrenzAa. Tussen de grensstenen 156 en 157 moest een grenssloot worden gegraven, die nog steeds de landsgrens tussen Nederland en Duitsland vormt. Jaarlijks vanaf 1826 werden de grensstenen geschouwd door een commissie bestaande uit leden van beide zijden van de grens.
Na vele eeuwen strijd over de grens tussen Hannover en Nederland werd in juli 1824 de definitieve grens vastgesteld. Er werden diverse grensstenen van Bentheimer zandsteen opgesteld. De Schoonebeeker boeren verloren zes booën in dit gebied.
In dit gebied ten noorden van Twist stonden tot 1793 zes booën die eigendom waren van de Schoonebeeker boeren. De runderen graasden hier in de gezamenlijke weide (compascuum). Na veel strijd met de kolonisten uit Münster verloren de Schoonebeeker boeren dit gebied.
De grens tussen Nederland en Duitsland zoals we die nu kennen werd pas in 1824 in een grenstraktaat vastgelegd. Daarbij kwamen zes booën van Schoonebeeker boeren op het grondgebied van het Koninkrijk Hannover terecht. Het ging om de booën van Harmen Mages, Jan Mages, Jan Poppen, Berent Scholten, Jan Holties en de zuidelijk gelegen Hankenboo. De eerste vijf booën lagen in het gebied dat we nu kennen als Zitterdell bij Twist.
Het Taterbroek of de Twist was het zuidelijke gedeelte van het Bourtanger moeras, gelegen tussen Schoonebeek, Hesepe, Rühle, Ringe en Scheerhorn. Het gebied zou de naam Taterbroek hebben gekregen, omdat het in de 16e eeuw gediend zou hebben als schuilplaats voor zigeuners (Tatern). De naam Twist was afkomstig van het oud-germaanse woord ‘twist(el)’, dat gebruikt werd voor een gebied waar een tweetal waterstromen samenkwamen in de vorm van een vork. We zien het ook terug als ‘twist’, zijnde twijg of gevorkte tak. Het woord ‘twist’ in de zin van strijd heeft dezelfde achtergrond, want ook daarbij gaat het om een tweespalt van meningen. In dit gebied gaat het om de samenkomst van de Noorder- en Zuiderstrang, die samen verder gingen als het Schoonebeekerdiep of GrenzAa.
Door de aanhoudende strijd vanaf 1760 tussen de Schoonebeeker boeren en de Münsterse kolonisten over het gebruik van de gezamenlijke gronden in het zogenaamde Taterbroek of de Twist, besloten de Schoonebeekers die booën in het kwestieuze gebied hadden liggen dat zij deze wilden verkopen. Het was wel duidelijk dat de Münstersen het hele gebied in gebruik wilden nemen en dat de Schoonebeeker booën op het Münsterse territoir een sta in de weg waren. De kolonisten van Rühlertwist vernielden de dijkjes rondom de booën, zodat deze onder water kwamen te staan en ongeschikt werden. De situatie werd steeds onhoudbaarder. Er moest een einde komen aan het gemeenschappelijk gebruik van de Twist door de boeren van Schoonebeek, Hesepe en Rühle, met name door het ontstaan van de nieuwe ontginningsdorpen Adorf en Hesepertwist. In 1790 verzochten de Schoonebeekers aan Ridderschap en Eigenerfden van Drenthe om over te gaan tot een definitieve scheiding in de Twist en een schadevergoeding uit te keren. Ze vroegen of ze hun booën en vee mochten verplaatsen naar een ander deel van de Schoonebeeker marke.
Maar het liep anders. In 1793 voerden de eigenaren van de Schoonebeeker booën in het Münsterse gebied een proces tegen de overige Schoonebeekers. In goed overleg werd besloten dat de eigenaren van de Münsterse booën hun booën en aandeel verkochten aan de overige markegenoten en dat zij ter compensatie ƒ 2.200 per 12 dagwerken kregen uitgekeerd. De landerijen van alle booeigenaren werden daarna opgemeten en afhankelijk van de hoeveelheid die iedere Schoonebeeker boer in de marke gebruikte voor zijn boo moest hij meer of minder compensatie betalen. De bedragen varieerden tussen ƒ 1.000 en ƒ 4.000. En dat was ook het einde van de Schoonebeeker marke, want de gezamenlijke gronden werden daarna door een landmeter gescheiden en aan de boeren toegewezen. Er bleef één vraagstuk over en dat was de noordelijke grensscheiding met de markegenoten van Zuid- en Noordbarge. Daarover werd in mei 1838 een uitspraak gedaan door het Hoog Gerechtshof in Den Haag.
Na de markescheiding bleven nog een aantal kleine stukjes grond in eigendom van de gezamenlijke markegenoten van Schoonebeek. Die lagen echter in het centrum van het dorp naast de Nicolaaskerk. Die grond werd in 1860 door de marke ter beschikking gesteld voor de bouw van een nieuwe school. Rond 1885 ging deze grond in eigendom over naar de gemeente Schoonebeek.
In dit gebied ten noorden van Twist stonden tot 1793 zes booën die eigendom waren van de Schoonebeeker boeren. De runderen graasden hier in de gezamenlijke weide (compascuum). Na veel strijd met de kolonisten uit Münster verloren de Schoonebeeker boeren dit gebied.
Het Bourtanger moeras was interessant voor de bisschop van Münster om uit te geven aan zijn dagloners en keuters, zodat zij in dit gebied landbouwbedrijven konden ontwikkelen. Zij richtten zich op de boekweitteelt. De Schoonebeeker boeren waren hier niet gelukkig mee.
Het Bourtanger moeras was een uitgestrekt veengebied, dat na de laatste IJstijd was ontstaan langs de Hondsrug. Het kerngebied van zo’n 30.000 hectare lag van Bentheim in het zuiden tot aan Bellingwolde in het noorden en van de oevers van de rivier de Ems in het oosten tot aan het dorp Emmen in het westen. Het moeras werd beschouwd als een ondoordringbare linie in Noordoost-Nederland, die de vijand dwong om of langs de vesting Coevorden of via een zandrug langs de schans van Bourtange te trekken. Maar voor de lokale bevolking was het moeras een onderdeel van haar landbouwsysteem. De drogere delen midden in het moeras gebruikten zij als hooilanden of zij weidden er in de zomer hun vee. Hoewel er juridische twisten over de eigendomsrechten voorkwamen, werden de landen in de praktijk als gemeenschappelijke gronden (compascuum) gebruikt.
Het Nedersticht Münster, waartoe het Emsland behoorde, viel sinds 1252 onder het gezag van de bisschop van Münster. Münster had in de achttiende eeuw, als gevolg van een groeiende bevolking en oorlog die het voerde te kampen met een gebrek aan landbouwgrond. De drang om het Bourtanger moeras te koloniseren nam dan ook toe. De Münsterse bisschop had het moeras nodig voor zijn bevolkingspolitiek. Vele dagloners, Heuerleute genaamd, en kleine keuters in het Emsland konden slechts het hoofd boven water houden door regelmatig naar Holland te trekken – de Hollandgängerei – en daar zwaar werk op het land te verrichten dan wel aan te monsteren op één van de schepen i de Hollandse havens.
Aanvankelijk wilde de Münsterse bisschop de Heuerleute grond verkopen aan de rand van het Bourtanger moeras, maar de daargelegen boerengemeenschappen verzetten zich in 1764 zo heftig tegen de uitgave van dat land dat hij besloot Moorkolonien verderop het moeras te stichten, midden op het hoogveen en ver van de bestaande buurschappen. De boeren aan de Nederlandse zijde van het Bourtanger moeras waren niet gelukkig met de stichting van nieuwe dorpen in het veengebied. De boeren in de Moorkolonien hadden slechts een beperkt aantal akkers waarop veevoeder kon worden verbouwd. Wat restte was de roofbouw door boekweitteelt. Na vijf à zes jaren was de boekweitakker uitgeput en moest dan twintig jaar braak liggen alvorens weer afgebrand en bebouwd te kunnen worden.
Ondanks de activiteiten van de arme boeren bleef het natuurlijk landschap aan beide zijden van de grens een geheel vormen. Tijdens de Vrede van Wenen (1814-1815) werden de grenzen in Europa opnieuw getrokken. Aan de Duitse kant van het Bourtanger moeras ontstond het Koninkrijk Hannover. En aan de andere zijde het Koninkrijk der Nederlanden. De schriftelijke vastlegging van de rijksgrens, waarmee al in 1717 was begonnen, werd pas in 1824 met het Grenstraktaat afgerond.
Het Bourtanger moeras was interessant voor de bisschop van Münster om uit te geven aan zijn dagloners en keuters, zodat zij in dit gebied landbouwbedrijven konden ontwikkelen. Zij richtten zich op de boekweitteelt. De Schoonebeeker boeren waren hier niet gelukkig mee.
In 1771 probeerden vier inwoners uit Münster in dit gebied een huisplaats te stichten, maar ze kregen geen toestemming van de bisschop van Münster. Maar uiteindelijk volgde in 1784 toch toestemming en werd Hesepertwist gekoloniseerd. Zeven kolonisten vestigden zich hier in juli 1784.
In 1771 hadden Gerdt Beckel, Joan Greten, Heinrich Röckers en Wessel Beckel uit het kerspel Hesepe de eerste aanvraag ingediend voor de toekenning van een huisplaats en een stuk land in de ‘wüsten Gründen’ in de Twist. Maar omdat het grensverloop op dat moment nog onduidelijk was, werd de aanvraag terzijde gelegd. In maart 1780 dienden ze opnieuw een aanvraag in bij de landsheer, de vorstbisschop te Münster. Het lijkt erop dat Gerdt Beckel – die ook Eilers of Püntgerdt werd genoemd – zich al in 1781 in de Twist had gevestigd: ‘Aan de rand van het heidegebied tussen Fullen en Rühle bouwde een verstoten landarbeider, Herm Eilers (het bleek om Gerdt Beckel te gaan), een plaggenhut in de hoop hier onopgemerkt een vredige schuilplaats te vinden.’ Maar de buren haalden zijn hut neer en verdreven hem. Gerdt Beckel week uit naar een plek die uren verderop lag en bouwde daar een hut: ‘De voortvluchtige ontsnapte uit het vijandige grensgebied en trok diep de woestenij in. Op het betwiste grensgebied tussen Münster en Nederland – Twist genaamd – was hij ervan overtuigd dat hij een aarden hut zou kunnen bouwen. Daar zou de hoogte van het grasland hem beschermen tegen het water en de afstand van enkele uren tot de onverdraagzame buren.’
In het voorjaar van 1784 dienden Gerd Bekel, Wessel Bekel, Gerd Heinrich Bekel, Johan Heinrich Greten, Henrich Töben en Henrich Schroers opnieuw een verzoek in bij de keurvorst. In 1784 besloot de Geheime Raad van de vorstbisschop van Münster dat de Hesepertwist gekoloniseerd kon worden. In de loop van juli 1784 vond de officiële toewijzing plaats aan de eerste zeven kolonisten. In september 1784 werd de oorkonde opgesteld, waarin ‘Gerhard Bekel oder Eilers’ als eerste van de Heuerleute uit de Twist werd genoemd.
In 1771 probeerden vier inwoners uit Münster in dit gebied een huisplaats te stichten, maar ze kregen geen toestemming van de bisschop van Münster. Maar uiteindelijk volgde in 1784 toch toestemming en werd Hesepertwist gekoloniseerd. Zeven kolonisten vestigden zich hier in juli 1784.
Tussen twee armen van het Schoonebeekerdiep - de zogenaamde Noorderstrang en Zuiderstrang - was een voedselrijke weide ontstaan, waar de Schoonebeeker boeren 100 runderen weidden. Eeuwenlang werd er strijd gevoerd tussen de Schoonebeekers en Münstersen over dit gebied. Schoonebeek verloor.
Gedurende de 16e en 17e eeuw deden zich weinig grensconflicten voor met het bisdom van Münster. Maar in 1680-1690 was er een strijd om de Omkemaat. Bron van dit conflict was een stuk weideland ‘de Omkemaat’, gelegen tussen twee armen van de Zuiderstrang van het Schoonebeekerdiep of de Aa. De twee armen splitsen zich op enig moment en kwamen later weer bij elkaar. Ertussen was een soort eiland ontstaan. Er konden circa honderd runderen worden geweid. De boeren uit Schoonebeek, Hesepe en Rühle waren van mening dat de waterloop ten zuiden van de Omkemaat de Zuiderstrang was. En de boeren uit Scheerhorn en Bentheim vonden dat de waterloop ten noorden van de Omkemaat de Zuiderstrang was. Hadden de Schoonebeekers gelijk dan zou de Omkemaat onderdeel zijn van het Taterbroek en in dat broek waren zij samen met de Münsterse dorpen Hesepe en Rühle ‘compascendo’ gerechtigd. Hadden de Scheerhorners gelijk dan zouden de Bentheimers in de weide gerechtigd zijn.
Er ontstond een heftige rechtsstrijd, waarbij een groot aantal mensen waren betrokken. Het ging om de discussie wie in de decennia ervoor de rivier had onderhouden. De Schoonebeekers hadden een tijdlang grasland ten zuiden van de Aa in gebruik van Scheerhorn als een vorm van rentebetaling wegens geleend geld, maar dat betekende nog niet dat de Omkemaat daardoor een onderdeel van het Taterbroek was geworden.
De inwoners van Hesepe, Rühle en Schoonebeek hadden diverse pogingen gedaan om het water van de Zuiderstrang om te leiden langs de zuidkant van de Omkemaat, om daarmee de graafschap Bentheim van een stuk grondgebied te beroven. Maar de natuur was de graafschap te hulp gekomen. De Schoonebeekers hadden over het hoofd gezien dat men het water niet van laag naar hoog kan laten lopen. De rivier koos dus telkens weer zijn loop ten noorden van de Omkemaat. Diverse malen stak vee van de Ringer Wösten – de kant van de Bentheimers – over naar de marke van Schoonebeek. Dat vee werd dan in beslag genomen en na betaling van schutgeld weer teruggegeven. De Schoonebeekers haalden aan dat hun grond van Drentse zijde was getaxeerd en dat zij belasting moesten betalen. Van overheidswege deed men echter niet veel aan de kwestie. De zaak bleef liggen tot het midden van de 18e eeuw.
In de jaren 1748-1761 regende het opnieuw klachten van de Schoonebeekers over het schutten van vee en het wegvoeren van hooi. Aan de Bentheimer kant werd nu ook onderzoek ingesteld en werden getuigen gehoord. De discussie tussen de Staten-Generaal van Nederland en de regering van de graafschap Bentheim nam stevig toe. Maar de grenskwestie bleef weer jaren liggen, ondanks het belang dat beide partijen hadden bij een goede regeling. Zowel voor de instandhouding van de oostelijke verdedigingslinie, als voor de wens om de moerassen langs de grens te ontginnen was een nauwkeurige grensafbakening noodzakelijk. Maar in januari 1765 lukte het uiteindelijk toch een overeenkomst te tekenen. Maar het bleef bij een beschrijving van de grenslnie. De heren kwamen niet uit de splitsing van de Omkemaat.
Ruim tien jaar later werden de onderhandelingen weer opgepakt en in 1784 werd een nieuwe overeenkomst afgesloten. Maar het gebruik van de weilanden in de Twist bleef ook in dit verdrag gemeenschappelijk. In Münster vond men dat de grensproblemen definitief waren opgelost en begon men met de kolonisatie van de verworven veengebieden. De nederzettingen Twist, Hebelermeer, Rühlertwist, Hebelertwist en Schwartzenberg ontstonden. Dit leidde in de jaren erna tot ruzies tussen de Münsterse kolonisten en de Schoonebeekers, die voorheen aan elkaars zijde stonden. Steeds duidelijker werd dat het gemeenschappelijk gebruik van de Twist door de boeren van Schoonebeek, Hesepe en Rühle niet meer kon. In 1819 begon een grenscommissie, wat er toe leidde dat in 1824 de definitieve grens tot stand kwam tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Hannover. De Schoonebeekers waren het gebruik van de Omkemaat definitief kwijt.
Tussen twee armen van het Schoonebeekerdiep - de zogenaamde Noorderstrang en Zuiderstrang - was een voedselrijke weide ontstaan, waar de Schoonebeeker boeren 100 runderen weidden. Eeuwenlang werd er strijd gevoerd tussen de Schoonebeekers en Münstersen over dit gebied. Schoonebeek verloor.
Tot 1775 was dit gebied nog ongebouwd. In de periode tot 1788 werden er 52 woningen gesticht, evenals bij het Zwarte Water een kerk en kerkhof. Tot 1824 konden de inwoners van Nieuw-Schoonebeek (voorheen Bohendorp) hier hun doden ook begraven.
De eerste nederzettingen in het Twist-gebied werden in 1775 gesticht door het bestuur van het toenmalige graafschap Bentheim op de zuidwestelijke oever van de grensrivier de Aa, midden in het veengebied (Adorf). In 1784 willigde de prins-bisschop van Münster, Max Franz, de wens in van pachters uit het dorp Hesepe om zich ook in de afgelegen marke, oftewel in het hoogveen op de "Twist", te vestigen. Dit markeerde het begin van de bewoning langs de Aa, met name in het gebied van de huidige Oud-Hesepertwist. Verdere nederzettingen werden in 1788 gesticht in het gebied van de "Alt-Rühlertwist" en in Hebelermeer. In augustus van 1788 waren er al 52 woningen gebouwd, het land was ingezaaid met boekweit, rogge en aardappelen, en het water werd middels gruppen en sloten afgevoerd. Daarnaast was er een zanddijk aangelegd, waarmee men met wagens en paarden tot aan Hesepe kon komen. En bij het Zwarte Water bij de Twist was een plek afgepaald voor een kerk en kerkhof. Bij de grensdeling van 1788 waren zes booën van de Schoonebeeker boeren Maags, Poppen, Holties, Scholten en Hanken in het Münsterse gebied terecht gekomen.
De relatief late vestiging in het gebied aan het einde van de 18e eeuw werd gekenmerkt door een uiterst sobere levensstijl en vele ontberingen. De onvruchtbare heidegrond bood nauwelijks leefruimte. Boekweit, schapen en bijen zorgden voor een schaars bestaan. Na enkele decennia leidden hongersnoden tot emigratie. Zo verlieten in de herfst van 1840 zestig inwoners van Twister de Emsland-regio en begonnen aan een lange zeereis aan boord van het zeilschip "Rebecca" om een nieuw thuis te vinden in de Verenigde Staten. Een grotere groep vestigde zich samen in Taos, Missouri.
Tot 1775 was dit gebied nog ongebouwd. In de periode tot 1788 werden er 52 woningen gesticht, evenals bij het Zwarte Water een kerk en kerkhof. Tot 1824 konden de inwoners van Nieuw-Schoonebeek (voorheen Bohendorp) hier hun doden ook begraven.
In 1824 werd de grens tussen Nederland en Hannover vastgesteld. Daarmee verloor de Schoonebeeker familie Hanken hun boo, die zij al eeuwenlang als meest zuidelijk gelegen boo hadden. Ze werden financieel gecompenseerd door de Schoonebeeker boeren.
De grens tussen Nederland en Duitsland zoals wij die tegenwoordig kennen werd pas in 1824 in een verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Hannover definitief vastgelegd. Daarmee kwamen een aantal booën van de Schoonebeeker boeren in Hannovers gebied te liggen, waaronder de boo van de familie Hanken. In een rapport van 1682 werd vermeld dat aan Johan Hanneken uit Schoonebeek was gegund om een veeschuur op het Münsterse gebied te bouwen tegen een vergoeding van 2,25 Rijksdaalder per jaar. Hij moest het gebouw afbreken, zodra er door de ingezetenen van Groot en Klein-Hesepe en Rühle om werd gevraagd. In 1654 was Roelof Poppen eigenaar van ‘Een Boe op de Regtetwist, met de Munsterschen 2.000-0-0’.
Vanwege haar ligging in het Twister gebied was de Hanken-boo in 1760 betrokken in een felle strijd tussen de boeren van Scheerhorn en Bathorn tegen de eigenaren van de Schoonebeeker booën. Op de zomer van 1760 trok een groep van 70 boeren uit het Münsterse gebied, opgehitst door de boerschulte van Scheerhorn, met vorken en spaden naar de booën van Schoonebeek. Uit diverse booën werd het hooi gehaald, verkocht of vermengd met mest. De booën en bijbehorende schuren van Hanneken, Jan Holties, Jan Poppen, Pieter Wilms en Geert Mages werden opengebroken. In september 1760 werden 19 runderen van Jan Hammink Hanken, Jan Unie en Berent Unie in beslag genomen, die onterecht in de Omkemaat zouden hebben gegraasd.
De Hankenboo speelde een rol bij het bepalen van de grensbepaling tussen Nederland en Hannover in 1765. De eerste grenssteen kwam ten zuiden van de Hankenboo aan de Zuiderstrang te liggen en de tweede steen in de Hankenboo. Bij de heropende grensonderhandelingen van 1777 werd de grenslijn getrokken tussen de Hankenboo en de Hekmansboo en ter verduidelijking zou een grup worden gegraven. De Hankenboo kwam op het terrein van de Republiek te liggen. Maar bij de grensdeling van 1788 kwam de Hankenboo op Münsters grondgebied terecht. In 1792 was eigenaar Jan Hanneken klaar met de ruzies en verzocht aan Drost en Gedeputeerden van Drenthe of hij zijn Hankenboo naar de marke van Schoonebeek mocht verplaatsen. In 1793 werd er door de markegenoten van Schoonebeek een financiële vergoeding getroffen met de bezitters van de booën in het Münsterse gebied. Iedere boobezitter kreeg voor een volle waar waardeel een vergoeding van ƒ 2.200. Maar het liep blijkbaar anders met de Hankenboo, want die was er in zomer van 1818 nog. Maar in 1819 was de boo niet meer aanwezig. Bij het grenstraktaat van 1824 werd het verlies van de Hankenboo, die in het Münsterse gebied kwam te liggen, gecompenseerd door de Hekmansboo binnen Nederlands gebied te brengen. Lubbert Hanken kocht ter compensatie van het verlies van zijn boo in 1826 de boo van Jan Eisen en Aaltien Scholten die in het westelijke deel van het booëngebied lag.
Hij verkocht in december 1826 de landerijen van de voormalige Hankenboo – voor zover die op Nederlands grondgebied lagen – aan Frederik Karperin, Harbert Harberts c.s. en Harm Hendrik Wolken. De kopers verdeelden het in een oostelijke helft, middelste en westelijke kwart. De middelste en westelijke kwarten werden opgedeeld in acht naast elkaar gelegen smalle stroken grond. Dit gebied werd in de volksmond ‘de Stad’ genoemd.
In 1824 werd de grens tussen Nederland en Hannover vastgesteld. Daarmee verloor de Schoonebeeker familie Hanken hun boo, die zij al eeuwenlang als meest zuidelijk gelegen boo hadden. Ze werden financieel gecompenseerd door de Schoonebeeker boeren.
Tussen 1656 en 1738 werd op de plek waar de Noorderstrang en Zuiderstrang van het Schoonebeekerdiep (GrenzAa) samen kwamen een boo gebouwd door de boeren uit Ringe. Deze werd Ringer Stall of ook wel de stal van Warsse von Munster genoemd. De omliggende booën zijn nog steeds aanwezig.
Op een tweetal kaarten getekend door landmeter Jan Schrader in 1764 en 1770 stond de ‘gewesene Warsse von Munsters Boo’ aan de zuidzijde van het Schoonebeekerdiep vermeld. Op de plek waar de Noorder- en Zuiderstrang samenkwamen. De boo lag aan de zuidzijde van de grensrivier, terwijl aan de noordzijde ervan de Schoonebeeker booën van de families Croesen en Wilms lagen. Op de kaart die Johan Reinardt Issing, landmeter uit Münster, in 1738 tekende stond dezelfde boo vermeld als ‘Rengers Stall aus der Grafschaft Bentheim’. En op een kaart van Rummerink uit 1761 als ‘Ringer stalle’. In het Landbuch van 1656 kwam de boo niet voor en dus moet deze veeschuur tussen 1656 en 1738 zijn ontstaan.
Zowel in Grootringe als Kleinringe leefde de familie Von Münster. Beide hadden volgens het Landbuch geen boo. Gezien de ligging kon worden verwacht dat de boo eigendom was van de Grootringer familie Von Münster. De naam Warsse von Münster kwam echter uit de Kleinringer familie. Tijdens de grenstwist van 1760 tussen de Münsterse en Schoonebeeker boeren was Geert van Münster eigenaar van het Münster-erve in Grootringe.
Het booterrein van de Münstersboo is tegenwoordig nog steeds zichtbaar in het landschap. Het is een door bos omgeven rechthoekig terrein, met op de zuidkant van het terrein enkele losse bomen. Op geografische kaarten van 1760-1770 was dit hoekige terrein duidelijk te herkennen, met op het zuidelijk deel van het terrein de veestalling.
Tussen 1656 en 1738 werd op de plek waar de Noorderstrang en Zuiderstrang van het Schoonebeekerdiep (GrenzAa) samen kwamen een boo gebouwd door de boeren uit Ringe. Deze werd Ringer Stall of ook wel de stal van Warsse von Munster genoemd. De omliggende booën zijn nog steeds aanwezig.
Niet alleen de boeren uit Schoonebeek hadden booën laten bouwen, maar ook de boeren uit Grootringe deden dat. Ze stonden als Koboden op een kaart uit 1620-1632. In deze omgeving stonden de booën van de families Stegemann, Aalmink, Robbert en Bremann.
Niet alleen de Schoonebeeker boeren hadden booën laten bouwen, ook aan de zuidzijde van de grensrivier het Schoonebeekerdiep of de GrenzAa werden booën gesticht door de boeren uit Grossringe. De booën in het graafschap Bentheim werden nagenoeg in dezelfde periode voor het eerst genoemd als de Schoonebeeker booën. De laatste werden voor het eerst vermeld in het grondschattingsregister van 1654. De Grafschafter booën verschijnen voor het eerst in het Landbuch van 1656. Op een landkaart die Johannes Westenberg in de periode 1620-1632 tekende staan de booën op beide zijden van de grensrivier afgebeeld als ‘Koboden’.
De Friese onderzoeker Klaas Uilkema was bijzonder geïnteresseerd in de bouwgeschiedenis van de booën, dat hij ook een bezoek bracht aan één van de booën in het graafschap Bentheim. Voor Uilkema was de brandende vraag of de boo als uitgangsvorm moest worden beschouwd van het Friese of van het Saksische huistype. Omdat hij aan de Nederlandse zijde niet veel studiemateriaal had – de meeste booën waren namelijk al verdwenen – bestudeerde hij in 1927 de booën aan de Duitse kant. Uilkema trok de conclusie – waarbij hij door andere onderzoekers werd ondersteund – dat de boo het meest deed denken aan het oud-Friese woonstalhuis, een zogenaamd langhuis. Deze boerderij bestond oorspronkelijk uit twee delen: het binnehûs (de woning van de boer) en het bûthûs (de koestal), die gescheiden werden door een muur. De veestal bestond uit een dubbele rij koestallen, waarin de koeien twee aan twee werden gestald tussen tenen of houten schotten. De daken waren gedekt met riet of stro. De toegang tot de stal en het woongedeelte was via de korte achtergevel. De oud-Friese greidboerderij vond volgens onderzoekers zijn oorsprong in het Fries-Groningse woonstalhuis of terpboerderij. In 1933 deed de befaamde archeoloog Van Giffen een opgraving en van de terp van Ezinge en de daar gevonden plattegronden van de boerderijen zijn één op één te vergelijken met die van de Schoonebeeker booën. De oorspronkelijke bewoners van Schoonebeek, die zich begin 13e eeuw in dit gebied vestigden, kwamen waarschijnlijk van het Fries-Groningse Dollardgebied. Dat de terpboerderij als basis voor de boo door hen werd meegenomen is dus goed te verklaren. Als veestal overleefde dit boerderijtype. Hun eigen boerderijen in Schoonebeek werden in de loop van de eeuwen verbouwd en daar werd het Saksische hallentype toegepast en verdween waarschijnlijk het oorspronkelijk gebruikte oud-Friese greidboerderij.
Bij de grensovergang tussen Nieuw-Schoonebeek en Duitsland, aan de Aalminksweg, stonden dicht bij elkaar booën van vier Grossringer landbouwers: Stegemann, Aalmink, Robbert en Bremann. Het Aalmink-erve behoorde tot de oudste boerderijen van Grossringe. In 1393 werd Jutte van Lare beleend met de tienden over het erve. Vóór 1500 was het Aalmink-erve al in bezit van het klooster Wietmarschen. De horige Aalmink moest jaarlijks als pacht zeven mudden rogge en een haan leveren. Albert Masselink was tijdens de Tweede Wereldoorlog booheer (koeherder) op de Goormanns-boo en hij bezocht dan om de lange avonden door te komen zijn collega van de Aalminks-boo. Dat was op dat moment een Rus, die zelf sterke drank stookte. Masselink dronk iets te enthousiast mee met de Rus en hij had geluk dat hij tijdens de koude vriesnacht veilig zijn eigen onderkomen bereikte.
Jutte van Lare werd in 1393 ook beleend met de tienden over het Stegemans-erve, dat in 1486 werd verkocht ook aan het klooster in Wietmarschen. En ook met de tienden van het erve ‘de Brede’ ofwel Breemann werd Jutte van Lare in 1393 beleend. Omstreeks 1870 verkocht Bremann zijn boomaat voor maar liefst 13.000 goudgulden aan landbouwer Robbert. In 1499 beleende Heine van Lahr de richter in Veldhausen met de tienden over het Robertinck-erve, dat eigendom was van de adellijke familie Von Ketteler. Toen in 1650 graaf Ernst Wilhelm van Bentheim de Kettelerse goederen verwierf, werd Robbert horig aan de graven van Bentheim. Over de boogebouwen van deze vier Ringer erven is weinig informatie bekend.
Niet alleen de boeren uit Schoonebeek hadden booën laten bouwen, maar ook de boeren uit Grootringe deden dat. Ze stonden als Koboden op een kaart uit 1620-1632. In deze omgeving stonden de booën van de families Stegemann, Aalmink, Robbert en Bremann.
In dit gebied lagen vroeger de Mönkemaete en de Ochsenbülte, waarop de booën stonden van de Ringer boeren Helwig, Ringerbrüggen, Kaalmink en Rosemann. Ze hoorden bij boerderijen uit Grossringe, die al aan het einde van de 14e eeuw werden vermeld.
Ten westen van de booën van Stegemann, Aalmink, Robbert en Bremann ligt de Mönkemaete en de Ochsenbülte, waarop de booën staan van Helwig, Ringerbrüggen, Kaalmink en Rosemann. Het erve Ringerbrüggen lag aan de Leegraben-brug en heette voorheen Ringermolen. Deze naam herinnerde aan de watermolen die in de buurt van het erve in de Leegraben lag en waarschijnlijk tot het erve behoorde. Toen de molen verdween wijzigde zich de naam en werd Ringermolen naar haar ligging aan de brug tussen Ringe en Hoogstede Ringerbrüggen genoemd. De bisschop van Utrecht beleend in 1393 Jutte van Lare met de tiende over Ringermolen.
In 1868 was Wilm Ringerbrüggen eigenaar van het Ringerbrüggen-erve. Meerjarige pachter van de boo, die tussen de boerderijen van Von Münster en Hans lag, was de familie Borgmann die de boo uitsluitend als pachtbedrijf gebruikte. De pachtplaats kwam achtereenvolgens in het bezit van de familie Stokman, Harger en Cöper en werd uiteindelijk aan de Niedersächsische Siedlungsgesellschaft overgedragen. Het huis werd afgebroken. De Siedlungsgesellschaft deelde het land en vergrootte daarmee het grondbezit van de erven Klompmaker en Schepers.
Naast de Ringerbrüggen-boo lag de boo van de familie Helweg. In 1393 werd Jutte van Lare door de bisschop van Utrecht ook met de tienden over het Helweg-erve beleend. In 1953 emigreerde booheer en pachter Langenmaat met zijn gezin naar de Verenigde Staten van Amerika. Enkele jaren later brak Jan Helweg het boogebouw af.
In dit gebied lagen vroeger de Mönkemaete en de Ochsenbülte, waarop de booën stonden van de Ringer boeren Helwig, Ringerbrüggen, Kaalmink en Rosemann. Ze hoorden bij boerderijen uit Grossringe, die al aan het einde van de 14e eeuw werden vermeld.
De Kaalminkboo stond op de Mönkemate. De bekende Schoonebeeker schrijver Karst schreef daarover: Volgden wij met belangstelling het bereiden der traditionele boopannekoek […] met stille verbazing constateerden wij dat spek, worst, boter en eieren met kwistige hand werden toegevoegd.
De booën van de families Kaalmink en Rosemann stonden op de Mönkemate. Het Caalmink-erve was in 1433 eigendom van Hendrik van Zeelwert. Later werd het bezit van de baronnen Von Ketteler. In 1650 verkocht deze familie het erve aan graaf Ernst Wilhelm van Bentheim. In 1875 verkocht Albert Kaalmink zijn gebouwen en land aan Levert Wesselnik en kocht zelf de boo van Gerrit Jan Zagers, genaamd Sagers-Bäcker. In 1980 werd de Kaalminksboo afgebroken. De bekende Schoonebeeker schrijver Egbert Karst bracht een bezoek aan de Kaalminksboo en schreef daarover: ‘Onderwijl de andere booheers hun vee ging verzorgen, volgden wij met belangstelling het bereiden der traditionele boopannekoek […] en met stille verbazing constateerden wij dat spek, worst, boter en eieren met kwistige hand werden toegevoegd.’
In 1420 droeg Rolof van Laar de tienden uit het Rosemann-erve over aan Heino Hammens, die verwant was aan de familie Van Laar. In 1459 verkocht Henric van Hiest de grove en smalle tienden over het erve ten Rosenhuys aan Henric Hammens, waarbij werd aangegeven dat het Rosemann-erve was afgescheiden van het Stegemann-erve. In 1486 verkochten de kinderen van Heinrich van Heest het erve ten Rosenhues met de tienden aan het klooster Frenswegen. De Rosemann-boo brandde in 1923 af en werd herbouwd. Gesina Rosemann en haar man Hindrik Zwartscholten erfden in 1933 bij hun huwelijk de Rosemann-boo. Zij gingen in de boo wonen en bleven hier tot 1953. Ze hadden een nieuwe boerderij gebouwd en een deel van de Rosemannboo werd als koestal gebruikt.
De Kaalminkboo stond op de Mönkemate. De bekende Schoonebeeker schrijver Karst schreef daarover: Volgden wij met belangstelling het bereiden der traditionele boopannekoek […] met stille verbazing constateerden wij dat spek, worst, boter en eieren met kwistige hand werden toegevoegd.
Tegen het einde van de 18e eeuw was Drenthe vanuit de graafschap Bentheim via drie wegen bereikbaar. Voor Schoonebeek was de zandweg die bij de Wilmsbrug over het diep ging belangrijk o.a. omdat er graan op de molen van Emmelenkamp werd gemalen.
Drenthe was tegen het einde van de 18e eeuw vanuit het graafschap Bentheim via drie wegen bereikbaar. De eerste verbinding liep vanuit Emlichheim via Esschebrügge via de vesting Coevorden naar het Drentse grondgebied. De andere verbinding was een zandpad van Emlichheim dwars door het veenachtige gebied via de Padhuismade naar het Vlieghuis en over de schans Katshaar naar het noorden. Op het Vlieghuis kon het oostelijke zandpad over Luitien Sassen en Padhuis naar Schoonebeek genomen worden. Het zandpad liep dwars door Schoonebeek, langs de kerk en het Oosteinde richting de meest oostelijk gelegen booën. De derde verbinding was een oostelijke toegangsweg, die vanuit Emlichheim in oostelijke richting door het veenachtige gebied langs diverse vennen, de Galgenberg en Hahnenberg uitkwam bij de Wilmsvonder, later vervangen door de Wilmsbrug.
Het zou kunnen zijn dat deze toegangsweg de route is geweest die de Spaanse overste Verdugo in 1593 volgde om Drenthe vanuit het zuiden binnen te trekken. In de buurt van de Wilmsbrug zou namelijk een Spaanse lans zijn gevonden, maar het is niet duidelijk of dit ook werkelijk zo is. Omdat er graan op de molen van Emmelkamp gemalen werd, moest gebruik worden gemaakt van de verbindingen met het graafschap Bentheim. De weg tussen het Oostersebos en Emlichheim, via een overgang over het Schoonebeekerdiep via de Wilmsbrug, zal hiervoor het meest zijn gebruikt. Voor zover achterhaald kon worden was dit vóór 1900 al een brug en geen vonder meer. Bij de normalisatie van het Schoonebeekerdiep in 1929-1931 verdwenen alle oude vonders en bruggen en werden er ruim tien nieuwe bruggen en stuwen gebouwd. De Schoonebeeker boeren konden daardoor eenvoudiger bij hun landerijen in de graafschap Bentheim komen.
De Wilmsbrug was tot de jaren zestig van de 20e eeuw de enige grensovergang in Schoonebeek naar Duitsland voor algemeen gebruik. In juli 1925 schreef de courant: ‘Naar we vernemen is met ingang van heden het grensverkeer tusschen Nederland en Duitschland en omgekeerd ook wederom op Oud-Schoonebeek opengesteld over de z.g.n. Wilmsbrug. Velen onzer plaatsgenooten zullen deze tijding met blijdschap vernemen, aangezien men anders om in de Graafschap te komen, over Esschebrugge of Twist moest reizen.’ Het maakt duidelijk hoe lastig het grensverkeer tussen Nederland en Duitsland van begin 13e tot en met begin 20e eeuw was.
Tegen het einde van de 18e eeuw was Drenthe vanuit de graafschap Bentheim via drie wegen bereikbaar. Voor Schoonebeek was de zandweg die bij de Wilmsbrug over het diep ging belangrijk o.a. omdat er graan op de molen van Emmelenkamp werd gemalen.
In oktober 1883 maakte Vincent van Gogh het schilderij 'Landschap in ochtendgloren'. Hierop schilderde hij de Nicolaaskerk van Schoonebeek en de toren van de Bonifaciuskerk in Nieuw-Schoonebeek. Bij een prachtige zonsopkomst hing er een sluiter van nevel boven de Bargerbeek.
‘Landschap in de schemering’ schilderde Vincent van Gogh (1853-1890) toen hij in oktober 1883 in Nieuw-Amsterdam/Veenoord woonde en werkte. Het is niet duidelijk waar het schilderij is gemaakt. Bekijken we de afbeelding nauwkeurig dan zien we op de voorgrond een donker water, een kanaal. Daarboven bevindt zich een donkere baan, wat de aan de andere zijde van het kanaal liggende waterkant moet voorstellen. Daarboven ligt een vlak, boomloos landschap, dat zeer smal is weergegeven. Aan de linkerzijde is vervolgens sprake van een oprijzende, donkere verhoging, waarvan niet met zekerheid gesteld kan worden of het hier ver weg gelegen bomen of iets anders betreft. Aan de horizon zijn twee kerken zichtbaar: van de linker, gelegen achter de verhoging, is alleen de torenspits zichtbaar, van de rechter kerk zijn zowel de toren als het schip duidelijk herkenbaar. Opmerkelijk is dat er zowel op de vlakte als aan de horizon zoals het lijkt verder geen bouwwerken zijn weergegeven, geen oprijzende schuur, geen molen, niets. Daarboven heeft de schilder een streperige lucht weergegeven, die aan de linkerzijde duidelijk lichter is dan aan de rechter kant, waar donkere wolken als banen zijn geschilderd.
Het was lang niet duidelijk waar Vincent van Gogh dit werk geschilderd heeft. Omdat hij eerst drie weken in Hoogeveen heeft rondgezworven, werd onderzocht of daar een mogelijkheid was. Nergens in de omgeving van Hoogeveen kwamen echter twee kerken voor die qua vorm en ligging in aanmerking komen. In de omgeving van Nieuw-Amsterdam/Veenoord is er landschappelijk zeer veel veranderd, wat onderzoek lastig maakte. Door de oost-west ligging van de kerk kan geconcludeerd worden dat het kanaal ook min of meer in die richtling liggen moet. Een kanaal dat aan de gestelde eisen voldoet is het Dommerskanaal, dat al vóór 1883 voor een deel gegraven was. Uitkijkend vanaf de noordelijke walkant in zuidzuidoostelijke richting had men zicht op het Westeindsche en Oosteindsche Veen. Dit veen werd in 1883 amper geëxploiteerd. De Wester- of Bargerbeek doorsneed dit veengebied en aangenomen mag worden dat het geheel een zeer vlak en verlaten aanblik geboden heeft.
Aan de horizon zijn in 1883 twee kerken te zien geweest: de in het voorjaar van 1952 afgebroken Nicolaaskerk in Oud-Schoonebeek en de Sint-Bonifatiuskerk van Nieuw-Schoonebeek, waarvan de toren tot op heden bewaard is gebleven. De links op het schilderij weergegeven torenspits is de toren van R.K.-kerk in Nieuw-Schoonebeek, die 32 meter hoog is. Op een afstand van ruim acht kilometer kan Van Gogh deze kerk hebben gezien. In een computermodel van Bügel-Hajema Adviseurs zijn de gegevens ingevoerd en daaruit werd duidelijk dat Van Gogh staande aan het Dommerskanaal het geschilderde landschap zo gezien heeft als hij het heeft weergegeven.
Het huidige Dommerskanaal was op dat moment nog maar voor een stuk gegraven en hij moet vrijwel aan het begin hebben gezeten. Van Gogh keek namelijk tegen de gehele zijkant aan van de kerk en dat kon alleen als hij in de zuidoostelijke richting keek. De toren van de Nicolaaskerk stond aan de westkant van de kerk, wat klopt met de schildering van Van Gogh. En daarmee is ook te verklaren waarom de kerk van Nieuw-Schoonebeek is te zien. Had Van Gogh meer richting het oosten gezeten en de kerk van Oud-Schoonebeek geschilderd, dan was de kerk van Nieuw-Schoonebeek niet in beeld geweest. De vlakte tussen het Amsterdamsche Veld en Schoonebeek was geheel vlak en nauwelijks begroeid. Links en rechts van de kerk moeten de eikenbomen van respectievelijk het Middendorp-Oosteinde en Westeinde te zien zijn geweest, maar die onttrokken de kerk niet aan het gezicht. De lichte lijn op het schilderij die van links naar rechts loopt onder de twee spitsen van de twee kerken door, zou nevel kunnen zijn die boven de Bargerbeek hing. En dus niet een smalle strook vlak boomloos landschap, zoals wel is beschreven. Dit landschap is waarschijnlijk het donkere deel op de schildering, zoals Van Gogh vaak op andere schilderingen het donker schilderde. En het lichte deel op de voorgrond is of een kanaal of een strook grassen.
Het schilderij werd door Vincent van Gogh geschilderd richting het zuidoosten en dus vroeg in de ochtend. Het schilderij zou dus ‘Landschap in ochtendgloren’ moeten heten.
Op de plek waar vroeger het witte Nicolaaskerkje van Schoonebeek stond is door vrijwilligers een bloemen-, kruiden- en fruitpluktuin aangelegd, waarbij de contouren van het afgebroken kerkje te zien zijn als een haag.
In oktober 1883 maakte Vincent van Gogh het schilderij 'Landschap in ochtendgloren'. Hierop schilderde hij de Nicolaaskerk van Schoonebeek en de toren van de Bonifaciuskerk in Nieuw-Schoonebeek. Bij een prachtige zonsopkomst hing er een sluiter van nevel boven de Bargerbeek.
De zeer bekende Hekmansboo behoorde vroeger toe aan de familie Scholten, die haar boerderij had staan op de huidige locatie van museum Zwaantje Hans Stokmanshof. Later kocht de familie Hekman de Scholtensboo en noemde deze Hekmansboo.
Eén van de meest bekende booën uit Schoonebeek is de Hekmansboo, die oorspronkelijk eigendom was van de familie Scholten. Deze familie had twee boerderijen ten westen van de kerk in Schoonebeek. De ene boerderij stond op de plek van het huidige mfc ’t Aole Gemientehoes, het vroegere gemeentehuis van Schoonebeek. Het andere Scholten-erve stond op de plek van de huidige Zwaantje Hans Stokmanshof, die bekend staat als zandstrooiboerderij en oliemuseum. De laatste Scholten van dit tweede Scholten-erve was Aaltien Scholten gehuwd met Jan Eisen. Zij verkochten de boerderij in januari 1826 aan Jacob Berends Bonselaar op de Anholt, die het in mei 1826 doorverkocht aan Jan Jans Mulder van Weijerswold. In 1885 verkocht dochter Roelfien Jungering-Mulders de Scholtenhof aan Geert Hans en Gese Prenger, die de boerderij verbouwden. Kleindochter Hilligje Hans trouwde met Albert Stokman en zij trokken op de boerderij in. De jongere zus Zwaantje Hans bleef bij haar zus en zwager inwonen. Zij werd bekend door het zandstrooien en naar haar is de boerderij tegenwoordig bekend.
Hindrik Taten de naam gaf aan de familie Hinnen. In de volksmond werd Hindrik vaak als Hinne uitgesproken en zo ontstond dus de familienaam Hinnen. De Hinnenhof werd in 1646 gebouwd door Hindrik Taten en zijn vrouw Elske op een stuk grond dat zij kochten van de eigenaar van het Bisschops- of Andrieserve. De Hinnenhof staat nog steeds aan het Westersebos 26/28. Omdat de Hinnenboerderij pas laat in Schoonebeek werd gebouwd, kreeg de familie Hinnen ook niet een volledig aandeel (het zogenaamde waardeel) in de Schoonebeeker marke, maar slechts een halve gerechtigheid. De Hinnenhof ging van vader op zoon over totdat in de 20e eeuw nakomeling Henderika Hinnen het erfde, die gehuwd was met Hendrik Gerardus Hans. En zo kwam de boerderij in handen van de familie Hans. Bij een boedelscheiding in 1904 kregen Grietje en Hendrikje Hinnen de Hinnenboo in eigendom. Zij waren getrouwd met Hendrik Elzing en Hendrik Engberts. In 1912 werd Hendrik Elzing de eigenaar, waardoor de boo ook wel Elzingsboo werd genoemd. In april 1920 werd het boogebouw afgebroken en verplaatst naar Europaweg 1 in Nieuw-Schoonebeek, waar het onderdeel werd van de nieuwe woning van het echtpaar Elzing-Hinnen.
De zeer bekende Hekmansboo behoorde vroeger toe aan de familie Scholten, die haar boerderij had staan op de huidige locatie van museum Zwaantje Hans Stokmanshof. Later kocht de familie Hekman de Scholtensboo en noemde deze Hekmansboo.
De Hekmansboo stond oorspronkelijk aan de Panddiek bij Koelveen. Ze verhuisde in 1959 naar Havelte en kwam in 1975 terug naar Schoonebeek. In 1996 ging de boo naar zuivelboerderij De Katshaar. En sinds 2021 is de boo terug in Schoonebeek, wachtend op restauratie.
Eén van de meest bekende booën uit Schoonebeek is de Hekmansboo. Deze was onlosmakelijk verbonden met de Hinnenboo, die in 1645 samen werden gebouwd ten zuiden van het Koelveen in de marke van Schoonebeek. We kennen dit bouwjaar omdat er in 1646 een rechtsstrijd was tussen de bouwers Herman Scholten en Hindrik Taten tegen Hindrik Klaassen en Jan Eisen, die beiden een boo in de buurt hadden staan. De laatsten waren er minder blij mee dat er 40 runderen bij kwamen die de markegronden begraasden. Maar Klaassen en Eisen verloren de zaak.
De Hekmansboo was oorspronkelijk eigendom van de familie Scholten, die twee boerderijen ten westen van de kerk in Schoonebeek had. De familie Scholten had in 1645 de Scholtenboo laten bouwen. Rond 1810 werd deze door de familie Scholten verkocht aan Jan Hekman en Hinderika Eisen. Door de wisseling van eigenaar werd de boo voortaan bekend als de Hekmansboo. Het is de laatste originele boo die Schoonebeek nog bezit. Tot 1959 stond deze aan de Panddijk in Schoonebeek, ten zuiden van het Koelveen. Er waren vele pogingen gedaan om de boo te redden, maar uiteindelijk werd ze afgebroken en opgeslagen in het magazijn van Volkshogeschool Overcinge in Havelte. Een beoogd restauratieproject ging niet door en in 1975 werden de veestalling en hooischuur herbouwd in de Beeklanden in Schoonebeek. Toen daar een nieuwbouwproject werd gepland verhuisde de twee gebouwen in 1996 naar zuivelboerderij De Katshaar. In juni 2021 gingen de houten gebinten van veestalling en hooischuur terug naar Schoonebeek, waar ze nu in opslag staan in afwachting van restauratie.
De Hekmansboo stond oorspronkelijk aan de Panddiek bij Koelveen. Ze verhuisde in 1959 naar Havelte en kwam in 1975 terug naar Schoonebeek. In 1996 ging de boo naar zuivelboerderij De Katshaar. En sinds 2021 is de boo terug in Schoonebeek, wachtend op restauratie.
De voormalige Hankenboo bij Twist was eigendom van de familie Hanken die op de Hankenhof woonde. De boerderij is al bekend vanaf 1597 en werd in 1862 geschikt gemaakt voor dubbele bewoning. De familie Hanken bewoont de boerderij nog steeds.
Aan de Hankenhofweg 31/33 ligt de boerderij van de familie Hanken. De oudst bekende voorvader was Roelof Hanken, die rond 1535 werd geboren. Hij werd samen met Willem Poppen van het Poppen-erve op het Middendorp 14/16/18 vermeld in een pastorieregister van 1597. Het Hanken-erve zal van het Poppen-erve zijn afgesplitst. Zoon Jan Hanken volgde hem op. Zijn dochter Geesje Jansen Hanken trouwde als weduwe van Fleminck uit Dalerveen in oktober 1642 met Roelof Poppen van het buurerve. Hij ging zich na het huwelijk Roelof Hanken noemen. Hij was in 1654 eigenaar van de Hankenboo in de Münsterse Twist. In 1743 waren er geen zonen meer in de familie en trouwde erfdochter Geesje Hanken met Jan Hammink Weggemans uit Dalen, die zich Hanken ging noemen. Hij kwam uit de rijke boerenfamilies Weggemans, Ten Rodengate en Oldenbanning.
Oudste zoon Jan Hammink Hanken trouwde in 1796 met Geessien Kroese uit het Westersebos en ging op de Sassen-boerderij in het Westersebos wonen. Zijn broer Lubbert Hanken trouwde in 1802 met Grietien Hekmans en zij trokken op het Hanken-erve. Lubbert verkocht in 1826 de Hankenboo in het Münsterse gebied aan Frederik Karperin, Harbert Harberts c.s. en Harm Hendrik Wolken. Rond 1862 werd de Hankenhof geschikt gemaakt voor dubbele bewoning. In 1912 werd de boerderij verkocht aan Harm en Engbert Rocklage, die in 1913 de zuidzijde van de boerderij verkochten aan Hendrik Hanken, kleinzoon van Jan Hammink Hanken. De boerderij bleef generaties lang in handen van de familie Hanken, die het erve nog steeds bewoont.
De voormalige Hankenboo bij Twist was eigendom van de familie Hanken die op de Hankenhof woonde. De boerderij is al bekend vanaf 1597 en werd in 1862 geschikt gemaakt voor dubbele bewoning. De familie Hanken bewoont de boerderij nog steeds.
De familie Poppen kwam waarschijnlijk rond 1465 uit Ostfriesland om met een Eisen-dochter te trouwen. Er werd een boerderij gebouwd naast de Eisenhoven, die uitgroeide tot een boerderij met driedubbele bewoning.
De familie Poppen had twee boerderijen in Schoonebeek en daarbij ook twee booën. De ene familie woonde op de stamboerderij aan het Middendorp 14/16/18, die een boo had in het Münsterse gebied. De tweede familie woonde op de nu nog bestaande Poppenhof aan het Middendorp 12. In huisnr. 14 werd bij dendrochronologisch onderzoek hout ontdekt uit 1464 en 1580. In een bisschoppelijk schattingsregister van 1445 kwam de familie Poppen nog niet voor in Schoonebeek. De boerderij zal dus zijn gebouwd rond 1464. In 1470 werd een Poppen Thijesses in Schoonebeek vermeld. De familie Poppen is mogelijk afkomstig uit Ost-Friesland en een Poppen-zoon trouwde waarschijnlijk met een Eisen-dochter uit het Middendorp. Dit zal de reden zijn dat de twee Poppenerven zo dicht naast de drie Eisen-hoven staan.
Het oudste Poppen-erve ging generaties in handen van vader op zoon over. In december 1827 verkocht nakomeling Jan Poppen samen met zijn kinderen bijna al hun onroerend goed, behalve ‘het molenhuis op den Hof staande als mede het achtereinde der schuur van het Huis, met het voorste gedeelte der hooischuur, tot aan de Poortschuur en een varkenshok’. De familie Poppen verhuisde naar het Holties-Nijman-erve op het Oosteinde van Schoonebeek, dat zij huurden van de diaconie van Schoonebeek. Het Poppenerve werd gekocht door Jan Gerding en Berend Sassen. Rond 1832 werd de boerderij in tweeën gesplitst. Het zuidelijke deel werd eigendom van Jan Anholts en Geertien Gommers, en het noordelijke deel van Geert Schoemakers en Henderika Gommers. Rond 1963 vond er weer een splitsing plaats en werd het een boerderij met drie woningen onder één dak.
De familie Poppen kwam waarschijnlijk rond 1465 uit Ostfriesland om met een Eisen-dochter te trouwen. Er werd een boerderij gebouwd naast de Eisenhoven, die uitgroeide tot een boerderij met driedubbele bewoning.
De familie Eisen behoort tot de oorspronkelijke bewoners van Schoonebeek, die zich hier in het begin van de 13e eeuw vestigden. Zij bouwden drie boerderij naast elkaar, de zogenaamde Eisen-hoven. De middelste ervan werd Mulders genoemd. Ze hadden drie booën in de marke.
De familie Eisen behoort tot de oudste families die zich in het begin van de 13e eeuw in Schoonebeek hebben gevestigd. Er stonden op enig moment drie familieboerderijen naast elkaar in het Middendorp, de zogenaamde ‘drie Eisen hoven’. Het eerste Eisen-erve is de dubbele boerderij Middendorp 17-19, het tweede Eisen-erve dat bekend staat als Mulders-erve Middendorp 15, en het derde Eisen-erve Middendorp 13. Volgens het pastorieregister van 1597 betaalde de drie erven van Eysen Johan, Luicken Moller en Eysen Hynderick samen een schepel roggepacht en een schepel haverpacht op Mid winter, en in mei twee Groninger mudden roggepacht. De familie Eisen was naast drie boerderijen ook in het bezit van drie booën, die al genoemd werden in het grondschattingsregister van 1654 als drie maal ‘Een Boe in de Twist ƒ 2.000-0-0’, eigendom van Jonge Jan Eijsen, Luitjen Eijzen Mulder en Eijze Lucas.
De oudst bekende bewoner van het eerste Eisen-erve aan Middendorp 17-19 is Olde Johan Eijssen, die in 1553 werd geboren. Zijn kleinzoon Jonge Jan Eijzen werd in 1654 genoemd als eigenaar van de Eijze Lucas boo. Hij voerde in 1646 samen met Hindrick Klaassen een rechtszaak tegen Hindrik Taten en Harmen Schulten om de door de laatste twee gebouwde twee booën in de Schoonebeeker marke weer af te laten breken. Door deze twee extra booën kwamen er immers 40 runderen bij, die op de markegronden graasde. Daar waren Eisen en Klaassen, die hun booën dichtbij die van Taten (later de familie Hinnen genoemd) en Scholten hadden staan, niet zo blij mee. Overigens verloren ze de strijd en bleven de Hinnen- en Scholtenboo staan. Het Eisen-erve bleef generaties lang in het bezit van de familie Eisen en werd door hen bewoond en bewerkt. Toen eigenaar Johannes Albertus Eisen in 1926 overleed, viel het eigendom van de Eisen-hof toe aan zijn zoon Jan Eisen. Hij kon het boerenbedrijf echter niet bolwerken en in oktober 1935 werd hij failliet verklaard. Het onroerend goed werd na in ieder geval 400 jaar in familiehanden te zijn geweest openbaar verkocht en werd eigendom van de familie Holties, die het verhuurde en later verkocht.
De tweede Eisenhof of het Mulders-erve aan Middendorp 15 kreeg de naam Mulders omdat het eigenaar was van een rosmolen. Door deze familienaam konden ze worden onderscheiden van de andere twee Eisen-families. De oudst bekend voorvader was Luicken Moller of Mullers Luken die omstreeks 1565 werd geboren. In diverse Schoonebeeker families vererfde de eigendom van de boerderij via een oudste erfdochter. Maar in de familie Mulders ging het erve over van vader op zoon, evenals de bijbehorende Muldersboo. De laatste Mulders die het erve bewerkte was de vrijgezel Lubbert Mulders, geboren in 1770. Omstreeks 1827 besloot hij het boerenbedrijf te beëindigen en verkocht hij publiekelijk het vee, de meubelen, boerenmaterialen en gereedschappen. Hij ging zelf aan de overkant van de weg wonen op Middendorp 10, het Hiltermans-erve. De Muldersboo hield hij voorlopig nog aan en werd waarschijnlijk verhuurd. Deze verkocht hij in 1836 aan een viertal arbeiders uit Nieuw-Schoonebeek: Jan Harm Lambers, Jan Hendrik Temmen, Jan Jurgen Borgman en Jan Hendrik Arends. Nadat Lubbert Mulders in 1851 overleed werd Jan Stokman de nieuwe eigenaar van het Mulders-erve. Het bleef bijna 150 jaar in handen van de nakomelingen van Stokman.
Aan Middendorp 13 staat het derde Eisen-erve, dat in 1597 werd bewoond door Hynderick Eysen. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Jonge Jan Eysen, waarna deze Eisenhof generaties lang van vader op zoon vererfde. De laatste Hindrik Eisen overleed in 1704 en zijn weduwe hertrouwde met Geert Willems, die de naam Eisen aannam. Daarna ging het eigendom weer over van vader op zoon. In 1826 overleed de laatste nakomeling, Hindrik Eisen en zijn weduwe Frederica Eisen-Wilms kocht in maart 1838 de helft van de Jan Uningeboo, waarvan de andere helft aan Lubbert Hanneken toebehoorde. In 1838 verkocht de weduwe Eisen de Eijze Lucasboo aan Jan Berend Kemper en Geert Harm Rakers uit Nieuw-Schoonebeek. Het nageslacht van de laatste Hindrik Eisen bleef hier tot 2001 wonen, waarna het erve werd verkocht aan een veearts.
De familie Eisen behoort tot de oorspronkelijke bewoners van Schoonebeek, die zich hier in het begin van de 13e eeuw vestigden. Zij bouwden drie boerderij naast elkaar, de zogenaamde Eisen-hoven. De middelste ervan werd Mulders genoemd. Ze hadden drie booën in de marke.
In één van de drie Eisen-hoven zitten zogenaamde Fensterbierscheiben in het bovenlicht van de toegangsdeur. Deze werden aangeboden bij het richten van de gebinten van een boerderij of bij een huwelijk. Daarna was er een feest, het Fensterköst of Fensterbeer.
In het bovenlicht van de toegangsdeur van het Eisenhof aan Middendorp 13 zijn drie zogenaamde Fensterbierscheiben aangebracht. Ze zijn geschonken door het echtpaar Roelof Hekman en Hillegien Hovinge en door de vrijgezellen Pieter Hekman en Hindrik Eissen ter gelegenheid van het huwelijk op 2 juni 1776 van Roelof Hekman en Hillegien Hovinge, die na hun huwelijk naar Zuidbarge verhuisden. Eén van de ruitjes is van het bruidspaar zelf en de andere twee van de vrijgezellen Pieter Hekman (een broer van Roelof) en Hindrik Eisen. De ruitjes zullen zijn meegenomen naar de boerderij in Zuidbarge en daar in een raam zijn aangebracht.
Roelof Hekman was bij zijn huwelijk weduwnaar van Hillegien Maags, maar in mei 1777 overleed zijn tweede vrouw, Hillegien Hovinge. In mei 1784 huwde weduwnaar Roelof Hekman voor de derde keer en nu met Jantien Rabberts van Zuidbarge. Mogelijk wilde de nieuwe bruid niet dagelijks herinnerd worden aan haar voorgangster en werden de Fensterbierscheiben verwijderd en gingen ze terug naar de familie Eisen in Schoonebeek. Ze bevinden zich dus in het Eisenhof in het Middendorp, maar horen eigenlijk thuis in Zuidbarge.
Naast gift tijdens een huwelijk, werden de Fensterbierscheiben ook geschonken bij het richten van een boerderij. Als er een nieuwe boerderij moest worden gebouwd werden gedurende twee winters zo‘n zestig eiken gekapt, die in de zomer daarna met de hulp van naobers tot gebinten, stijlen, planken en latten werden gezaagd. Als dit gereed was, werd de hele boerschap bijeen geroepen om te ‘richten‘. Op de vier hoeken van de te bouwen boerderij werden de hoofdstijlen omhoog gezet, meestal gefundeerd op veldkeien en nauwkeurig op hun plaats gezet. Als de tussenstijlen en de gebinten waren geplaatst, stond het geraamte van de boerderij stevig gegrondvest en goed gelijnd gereed en kon de bouw beginnen. Als dankbetuiging voor de gratis verrichte werkzaamheden werd de hele boerschap uitgenodigd op het richtersmaal, waarbij de meer welgestelde boeren richtersglazen aanboden, die later ter verfraaiing en ter herinnering in de ramen werden aangebracht. Deze zogenaamde richtersglazen werden in de zeventiende en achttiende eeuw gemaakt in Bentheim, waar ze ‘Fensterbierscheiben’ werden genoemd. Fensterbierscheiben zijn een gebruik in Noordduitsland. Een kleine glasschijf werd voorzien van de naam van de gever en meestal van kleurige beschilderingen en/of spreuken voorzien. Ze werd gegeven bij een huwelijk of de inwijding van een woning van buren of vrienden. Het naar aanleiding van het plaatsen van de Fensterbierscheiben gehouden feest werd Fensterköst of Fensterbeer genoemd, omdat de schenkers drank, meestal bier, kregen geserveerd.
Pieter Heckmans. vrijgesel
O God gij Hemel Koning, ziet
neder in dees woning, met een
onferment Oog, laet vee en mens
hier groejen, en Godvrugt stedes
bloejen. U loven Hemelhoog 1776
Roelif Heckman, Hillegien
Horinge sijn huijsvrouwe
O God gij Hemel Koning geeft
dog geluck in deese woning,
met enen Goddelijken Zin leijt ons
met haer ten Hemel in 1776
Hindrik Eijsen vrijgeselle
int bloejen der daagen,
onwillig tot klaagen,
was ik toen dit glas,
door mij gegeven was. 1776
In één van de drie Eisen-hoven zitten zogenaamde Fensterbierscheiben in het bovenlicht van de toegangsdeur. Deze werden aangeboden bij het richten van de gebinten van een boerderij of bij een huwelijk. Daarna was er een feest, het Fensterköst of Fensterbeer.
De familie Wolbers vestigde zich in het begin van de 13e eeuw in Schoonebeek. Zij bouwden drie Wolbers-boerderijen, waarvan twee zich Schultjes en Prinsen gingen noemen. Elke boerderij had een boo in de Schoonebeeker marke.
Als één van de oudste families in Schoonebeek had ook de familie Wolbers meerdere waardelen in de Schoonebeeker marke. De familie vestigde zich in het begin van de 13e eeuw in Schoonebeek. De oudst bekende voorvader is Hinrich Wolbers, die in 1445 wordt vermeld. Tegen het einde van de 16e eeuw waren er drie Wolbers-erven, die allemaal bij elkaar in dezelfde opstrek. Om de families uit elkaar te kunnen houden, kregen twee families een bijnaam: de ene familie noemde zich Schultjes en de andere kreeg de naam Prinsen.
Het hoofderve Wolbers stond op het huidige adres Middendorp 7. Het erve ging niet generaties lang over van vader op zoon, maar diverse keren vestigde zich een andere familie op het erve, die zich Wolbers ging noemen. Op enig moment ging het erve over in handen van Geesje Wolbers, dochter van Engbert Wolbers, die met Engbert Gijlers trouwde van het Oosteinde. Engbert Gijlers ging zich Wolbers noemen. Zoon Hindrik Wolbers verkocht in 1782 de halve Wolbersboo aan Jan Coops en zijn vrouw Grietien Wenninge. Hindriks zoon Engbert Wolbers kreeg het Wolbers-erve en de andere helft van de boo in eigendom. Hij en zijn vrouw overleden beiden in 1807 en lieten hun bezit na aan hun minderjarige kinderen. De boerderij werd daarom verpacht, totdat het in 1817 publiek werd geveild. Het werd verkocht aan Albert Jansen, die daarvoor het Bisschops- of Andrieserve in het Westersebos had gepacht. Het Wolberserve ging vervolgens van vader op zoon over in de familie Jansen. In 1809 was de halve Wolbersboo, die nog in handen was van de familie Wolbers, al verkocht. Een kwart ging naar Engbert Koops, nakomeling van Jan Coops die in 1782 de andere helft van de Wolbersboo al had gekocht. Zijn weduwe liet het boogebouw in 1835 afbreken, waarna de boogronden aan enkele Nieuw-Schoonebeekers werden verkocht. En het andere kwart werd gekocht door Jan Wolbers Schultien, die het aan de Wolbers-Schultienboo toevoegde.
Het Wolbers-Schultienerve is het huidige Middendorp 13. Dit erve ging generaties lang over van vader op zoon. In 1831 verkochten de weduwe Geesje Wolbers-Ensink en haar minderjarige kinderen dit erve aan Jan Hendrik Wolbers, die in 1833 zijn vee, meubelen en andere roerende goederen verkocht. De Wolbers-Schultienboo werd in 1831 verkocht aan Geert Harberts, die ten noorden van de Schoonebeekerdijk een nieuwe woning liet bouwen. In 1832 brak hij het boogebouw af. In 1848 nam Geesje’s zoon Jan Wolbers de boerderij over. Hij trouwde in 1850 met Geesje Sassen, dien in 1892 overleed. Een jaar later trouwde de 69-jarige Jan Wolbers met de 29-jarige Jantje Kiers uit Sleen. Uit beide huwelijken werden geen kinderen geboren. De boerderij vererfde naar familieleden, die het verpachtten. In 1902 werd de boerderij verkocht aan Johannes Rotmensen. In 1935 brandde het gebouw af en werd een nieuwe boerenwoning gebouwd. Door vererving kwam het erve in handen van de familie Meppelink, die het in 2006 verkocht.
En als derde Wolbers-erve hebben we de Prinsenhof, die direct ten oosten van het huidige Middendorp 1 stond. Deze boerderij werd in 1922 afgebroken. Ook dit hof vererfde generaties lang van vader op zoon, totdat bij het overlijden van Harm Wolbers Prinsen in 1809 de enige nakomeling een dochter Hinderika was. Overigens woonden Harm Prinsen en zijn dochtertje Hinderika vanaf 1758 in een keuterwoning ten oosten van de Prinsenhof. De boerderij zelf werd verhuurd. Hinderika Prinsen trouwde in 1810 met Jan Scholten en na diens overlijden in 1835 met Roelof Jansen. In mei 1838 verkocht zij de Prinsenboo aan Berend Mars, Hermannus Gerhardus Hendericus Mars en Jan Harm Borgman, landbouwers uit Nieuw-Schoonebeek. In 1862 verkocht de Prinsenhof aan Berend Wilpshaar van het Vlieghuis, die het verhuurde. Zijn nakomelingen lieten in 1922 de boerderij afbreken en ten noorden van de weg een nieuwe boerderij bouwen, het huidige Prinsenhofweg 4.
De familie Wolbers vestigde zich in het begin van de 13e eeuw in Schoonebeek. Zij bouwden drie Wolbers-boerderijen, waarvan twee zich Schultjes en Prinsen gingen noemen. Elke boerderij had een boo in de Schoonebeeker marke.
De meeste bekende boo is de Wilmsboo, die oorspronkelijk eigendom was van de familie Wenny maar verkocht werd aan de familie Wilms. In 1828 brandden drie boerderijen af, waaronder die van Wilms. Er werd een nieuw huis gebouwd. Door goede huwelijkspolitiek werd Wilms de rijkste familie.
De meest bekend boo van Schoonebeek is ongetwijfeld de Wilms, die oorspronkelijk eigendom was van de familie Wenninge of Wenny. De familie Wilms bestond uit twee takken, waarvan de één later bekend stond als Tallen. De boerderij van de familie die zich Wilms bleef noemen is het huidige Oostersebos 11. De geschiedenis van het Wilms-erve start met Evert Wilmes, die omstreeks 1540 werd geboren. Het erve ging enkele generaties over van vader op zoon, totdat er begin 18e eeuw vier dochters en een ongehuwde zoon waren. Erfdochter Geesien Wilms trouwde met Pieter Wolbers, die bij op het Wilms-erve trok en zich Wilms gingen noemen. Het erve ging vervolgens weer over van vader op zoon.
Door een goede huwelijkspolitiek wist de familie Wilms diverse familiekapitalen bij elkaar te brengen, waardoor haar rijkdom groeide. In 1612 behoorde de familie Wilms tot de minst kapitaalkrachtige families van Schoonebeek. Maar in nog geen halve eeuw klommen zij op tot de vijf rijkste Schoonebeeker families. In 1669 trouwde nakomeling Evert Pieters Wilms met de rijke boerendochter Fennegien ten Vlieghuis, dochter uit één van de rijkste boerengeslachten in Zuidoost-Drenthe. Daarna wist de familie Wilms lange tijd geen goede huwelijke te sluiten, totdat in 1776 Hindrik Wilms het meest aantrekkelijke huwelijk in de familiegeschiedenis sloot. Hij trouwde met Geesje Crusen, de erfdochter van Schoonebeeks meest welgestelde boer Berend Croesen. Hij werd daarmee op 25-jarige leeftijd de rijkste bewoner van Schoonebeek met twee grote boerenerven: het Crusen-erve in het Westersebos en het Wilmserve in het Oostersebos. Met daarnaast ook nog veel grond op het Vlieghuis. In 1832 bezat Hendrik Wilms maar liefst 420 ha grond.
In mei 1828 brandden in het Oostersebos de drie boerderijen en twee arbeiderswoningen af. De vrouw van Steven Bruinink was onachtzaam met vuur in haar huis omgegaan. Eén van de boerderijen die afbrandde was die van Hindrik Wilms. Direct na de brand liet hij een nieuwe boerderij bouwen, zoals die tegenwoordig aan het Oostersebos 11 staat. Zoon Gerrit Wilms was de laatste boer in de familie Wilms. Zijn zoon Hendrik Wilms had geen trek in het boerenbedrijf, evenmin als zijn vrouw Jantje Bruna. Hij liet in 1905 het herenhuis ‘Mannihof’ aan de Europaweg bouwen en ging daar als heerschop wonen. Hij gaf de voorkeur aan het lezen van theologische boeken. Zoon Gerrit Jan Wilms trad in de voetsporen van zijn vader als landeigenaar en ontwikkelde zich tot bestuurder. Hij ging de politiek in, werd gemeenteraadslid in Schoonebeek en later lid van Provinciale en Gedeputeerde Staten van Drenthe. Huwelijken werden gesloten in de eigen familiekring Wilms en Bruna, waardoor het familiekapitaal bij elkaar bleef. Het Wilmserve werd vanaf 1905 verhuurd en werd pas in 2006 verkocht.
De meeste bekende boo is de Wilmsboo, die oorspronkelijk eigendom was van de familie Wenny maar verkocht werd aan de familie Wilms. In 1828 brandden drie boerderijen af, waaronder die van Wilms. Er werd een nieuw huis gebouwd. Door goede huwelijkspolitiek werd Wilms de rijkste familie.
Deze plek in het Oostersebos is het meest gefotografeerde in Schoonebeek. Alle boerderijen waren voorheen eigendom van de familie Maags, die in 1780 uitstierf. Ze hadden twee booën in de Twist staan, die bij ze verloren bij de grensstrijd rond 1800.
De grens tussen Nederland en Duitsland zoals we die nu kennen werd pas in 1824 in een grenstraktaat vastgelegd. Daarbij kwamen zes booën van Schoonebeeker boeren op het grondgebied van het Koninkrijk Hannover terecht. Het ging om de booën van Harmen Mages, Jan Mages, Jan Poppen, Berent Scholten, Jan Holties en de zuidelijk gelegen Hankenboo. De eerste vijf booën lagen in het gebied dat we nu kennen als Zitterdell bij Twist.
De familienaam Mages of Maags is uitgestorven in Schoonebeek, maar hun boerderijen zijn nog steeds bekend. Ze staan op één van de meest gefotografeerde plekken, namelijk een drietal boerderijen in het Oostersebos, de huidige huisnummers 4 (het tweede Maags-erve), 15 (het eerste Maags-erve) en 17 (Maags-keuterij). Dit was waar de familie Maags haar woonplek had. Het eerste Maags-erve is bekend vanaf omstreeks 1600. Het vererfde generaties lang van vader op zoon. De laatste Maags die op de boerderij woonde was Jan Maags, die alleen drie dochters had. In 1780 trouwde dochter Geertruid Maags met Roelof Volkers uit Dalen en zij betrokken de boerderij. In mei 1828 brandde de boerderij tijdens een grote brand in het Oostersebos volledig af, zoals werd beschreven bij het Wilmserve. Naast zijn boerderij verloor zoon Gerrit Jan Volkers een korenschuur, schaaphok, varkenshok, rosmolen en molenhuis. Volkers was niet verzekerd, maar de boerderij en keuterwoning werden herbouwd. In 1837 werden beide panden verkocht aan de familie Klaassen, waarna het binnen deze familie bleef.
Het tweede Maags-erve werd rond 1600 door Herman Mages bewoond. Zijn nakomelingen bleven op het erve wonen, totdat in 1777 nakomeling Hindrikjen Maags met Albert Ellen trouwde, die van 1795 tot 1802 schulte van Schoonebeek werd. In 1793 voerde Albert Ellen tegen de overige markegenoten van Schoonebeek een proces om scheiding van de markte te vorderen. Hij werd uitgekocht en daarmee verdween de boo die deze familie in het Münsterse gebied had. Het tweede Maags-erve brandde ook af tijdens de brand van mei 1828. Het was toen inmiddels eigendom van dochter Jantien Ellen en haar man Jan Gerdinge. Hij was goed verzekerd en in oktober 1828 was de nieuwe boerderij al klaar. Dochter Henderika Gerdinge trouwde in 1840 met Harm Bruna uit Esche, waarmee het tweede Maags-erve in handen kwam van de familie Bruna. Vanaf 1885 werd het huis door de familie Bruna verhuurd.
Tijdens de grensstrijd was de boo van Geert Mages één van de plekken waar problemen waren met de nieuwe Münsterse kolonisten: ‘dat het Gildschap Scheerhoorn en Barthoorn voorsien van vorken en spaden wel 70 menschen sterk op den 20 Junij 1760 bij de Boe van Geert Mages sijn gekomen veel hooy het welke gewassen was bij de Boe op Drentse bodem, uit de schuire of Boe hebben genomen, en in sloden gedempt, doormengt met aerde en mist’. De 15-jarige booheer Hindrik Jacobs werd door de schulte van Scheerhorn met een stok geslagen. Tussen 1793 en 1806 zijn de beide Maags-booën – toen eigendom van Roelof Volkers en Albert Ellen – afgebroken. De nieuwe kolonisten stichtten hier nieuwe woningen.
Deze plek in het Oostersebos is het meest gefotografeerde in Schoonebeek. Alle boerderijen waren voorheen eigendom van de familie Maags, die in 1780 uitstierf. Ze hadden twee booën in de Twist staan, die bij ze verloren bij de grensstrijd rond 1800.
De boerderij van de familie Hekman stond oorspronkelijk op het einde van het dorp Schoonebeek. Zij hadden daarom de verplichting om het hek tussen het dorp en de marke te openen. Daarom werd de familie Hekman genoemd. Later verplaatste de grens zich verder naar het oosten.
De familie Hekman was in het bezit van twee booën. De bekendste daarvan is de Hekmansboo die bij de Panddijk ten zuiden van het Koelveen stond en diverse malen werden verplaatst en herbouwd. Maar deze boo was oorspronkelijk eigendom van de familie Scholten uit het Kerkeinde en dus eigenlijk geen Hekmansboo. De echte Hekmansboo lag tegen de huidige Duitse grens aan op de plaats ten zuiden van waar nu het pand Europaweg 333 te Nieuw-Schoonebeek staat.
De oudst bekende voorvader van de familie Hekman is Wessel Heckmans of Heck Wessel, die voor het eerst in 1598 werd vermeld. In het roggepachtregister van de pastorie van Schoonebeek werd hij samen met Engelbert Mages, Herman Mages, Engelbert Gijlers en Johan Hombarcht voor midwinterpacht aangeslagen. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de erven Hoomberg, Hekman en Gijlers nieuwe stichtingen waren vanuit de twee Mages-erven. Het Westersebos, Kerkeinde en Middendorp waren de oorspronkelijke buurtschappen van Oud-Schoonebeek. Later werd aan de oostkant het dorp uitgebreid met het Oostersebos waarbij het erve Hekman de laatste en meest oostelijk gelegen boerderij was. Daarna begonnen de gemeenschappelijke woeste gronden van de Schoonebeeker boeren, de zogenaamde marke. Ter afscheiding van het dorp en de marke werd een hek over de zandweg geplaatst. Dit hek werd bediend door de bewoner van de laatste boerderij, die daarom de naam Hekman kreeg. Tegen het einde van de 16e eeuw werd Oud-Schoonebeek nogmaals in het oosten uitgebreid en werden de boerderij van Holties, Gijlers en Ellen gesticht tussen het Hekman-erve en de Ellenbeek. Het afscheidingshek werd daarop verplaatst tot na de Ellen-boerderijen bij de Ellenbeek. In akten uit de 19e eeuw kwam ‘het zogenoemde Benthek’ nog voor, waarvan de meest westelijk gelegen booën in de Schoonebeeker marke de onderhoudsplicht hadden.
Na Wessel Heckman ging het Hekmanerve aan het Oostersebos 25 over van vader op zoon, totdat er in 1769 alleen nog een erfdochter was. Daarna trouwden een aantal keren boerenzoons in, die de naam Hekman aannamen. Nakomeling Lefert Hekman bouwde in 1928 op de Hekman-opstrek, ten zuiden van het Hekman-erve, een dubbele woning aan Europaweg 28 en ging daar wonen. Het Hekman-erve werd vervolgens verhuurd. Door nalatigheid van de pachter brandde de boerderij in september 1934 af en werd een nieuwe boerderij gebouwd, die weer werd verhuurd. In november 1971 verkochten de erfgenamen Hekman de boerderij.
De oostelijke Hekmansboo was inmiddels niet mee in bezit van de familie. Het oude boogebouw werd vanaf 1816 bewoond door Jan Hindrik Sloot, die in dat jaar van de veenkolonie Adorf naar het Bohendorp (nu Nieuw-Schoonebeek) was gekomen. Het was mogelijk het enige boogebouw dat door Münsterse kolonisten werd bewoond. Jan Hindrik Sloot overleed al in 1817 en zijn weduwe hertrouwde in datzelfde jaar met Geert Luipen uit Adorf en die trok in op de Hekmansboo. In 1821 vertrok het gezin Luipen terug naar Adorf. In augustus 1821 vestigde zich de nieuwe huurder Joseph Scherpen uit Hesepertwist op de Hekmansboo. Zij verbouwden in de periode 1824-1832 de boo tot een volwaardig huis. In 1834 bouwde Scherpen ten noorden van de hoofdweg een nieuwe woning en werd de Hekmansboo afgebroken. Pas in 1856 kocht Berend Hendrik Scherpen de bij de boo behorende landerijen van de familie Hekman.
De boerderij van de familie Hekman stond oorspronkelijk op het einde van het dorp Schoonebeek. Zij hadden daarom de verplichting om het hek tussen het dorp en de marke te openen. Daarom werd de familie Hekman genoemd. Later verplaatste de grens zich verder naar het oosten.
Het Oosteindscheveen maakte vroeger deel uit van de opstrekkende verkavelingen van de boeren uit het oosten van Schoonebeek. Tegenwoordig wordt het hersteld als een belangrijk stuk natuur, dat veel zeldzaam hoogveen bevat. Door kades en dempen van sloten wordt het water vastgehouden.
Het Oosteindscheveen maakte voorheen onderdeel uit van de opstrekkende verkavelingen van de Oud-Schoonebeeker boeren die hun boerenbedrijven in het Oostersebos en het Oosteinde hadden, tot aan de Ellenbeek. Het ligt ingesloten tussen de huidige Veenschapsweg en Valendisweg. Ten oosten van de Ellenbeek heette het gebied ook Oosteindscheveen, maar dat veengebied hoorde toe aan de Nieuw-Schoonebeeker boeren. Het was oorspronkelijk een vlak veengebied dat vol met grassen en plassen met water stond, maar vanaf omstreeks 1935 werd het langzamerhand bebost. Dat begon aan de oostzijde op het Koelveen, de plek waar in de eeuwen daarvoor de Schoonebeeker boeren turf voor huisbrand staken. Daardoor ontstonden kuilen in het veen, die volstroomden met water. Zo ontstond de naam Kuilenveen of in de volksmond Koelveen. Tussen 1970 en 1975 groeide het Oosteindscheveen op grote delen dicht met bos.
Omdat het ging om een stuk oorspronkelijke natuur, die beperkt als cultuurland in gebruik was genomen werd op provinciaal niveau besloten om het natuurgebied te verbeteren. In 2022 werden verschillende agrarische gronden aangekocht. Door sloten te dempen en kades (lage dijken) aan te leggen zal regenwater langer worden vastgehouden. In 2024 is begonnen met de herinrichting van een gebied van 128 hectare, dat veel zeldzaam hoogveen bevat. Door de werkzaamheden worden niet alleen vochtige heide, berkenbroekbos en veenvormende vegetaties gerealiseerd, maar worden ook bijzondere planten en dieren aangetrokken. Zoals de zonnedauw, dopheide, heikikker, adder en de levendbarende hagedis. Bestaande wandelpaden worden verplaatst en verbeterd. Voor het aanleggen van de kades en het dempen van sloten zijn grote oppervlaktes bomen gekapt. Een deel van de bomen zal weer aangroeien, maar op de kades komen geen bomen terug. Binnen de kades zullen andere bomen groeien, omdat veel bomen het niet prettig vinden om het gehele jaar in het water te staan.
Het Oosteindscheveen maakte vroeger deel uit van de opstrekkende verkavelingen van de boeren uit het oosten van Schoonebeek. Tegenwoordig wordt het hersteld als een belangrijk stuk natuur, dat veel zeldzaam hoogveen bevat. Door kades en dempen van sloten wordt het water vastgehouden.
Tussen de Koelveenweg en de grens met Duitsland ligt een gebied van twaalf kilometer lang dat tot het begin van de 19e eeuw de Schoonebeeker marke vormde. Hier stonden 30 booën. Vanaf 1814 werd het gekoloniseerd door inwoners uit Münster en ontstond Nieuw-Schoonebeek.
Ten oosten van de Koelveenweg ligt Nieuw-Schoonebeek, dat zich over een afstand van bijna twaalf kilometer langs de Europaweg uitstrekt tot aan de grens met Duitsland. Tot het begin van de negentiende eeuw was dit gebied de Schoonebeeker marke. Dat waren de gemeenschappelijke gronden van de Schoonebeeker boeren, die zich in het oosten zelfs tot over de grens in Twist uitstrekten. De huidige grens was toen nog niet vastgelegd. De zuidkant van de marke werd begrensd door het Schoonebeekerdiep en de noordkant had nog geen afscheiding en liep over in de marke van Zuid- en Noordbarge.
De Schoonebeeker marke was een afsplitsing van de Barger marke. Dat is waarschijnlijk tussen 1300 en 1350 gebeurd. De marke werd in 1437 voor het eerst vermeld en was eigendom van de eigenerfde boeren in Schoonebeek. Zij waren de kern van de buurschap en alleen de mannelijke gezinshoofden vormden het bestuur van de marke. Samen met een vertegenwoordiger van de landsheer, waren de eigenerfden het openbaar gezag. In 1618 werd vastgelegd dat je minimaal 30 mud bouwland nodig had om als ‘volle boer’ te worden aangemerkt. Vanuit de eigenerfden werd een dagelijks bestuur benoemd, de zogenaamde ‘volmachten’.
Elke volle boer had een aandeel in deze marke, die ‘waardeel’ werd genoemd. Oorspronkelijk waren er 24 van deze waardelen in de Schoonebeeker marke. Je had als volle boer dus recht op 1/24e deel in de marke. Deze rechten werden in een markeboek vastgelegd, zodat het duidelijk was waarop je recht had: het aantal ossen en/of schapen dat je hier mocht weiden, de hoeveelheid plaggen (voor akkerbemesting) en turf (voor huisbrand) je mocht steken, hoeveel hout je mocht kappen. Het markeboek van Schoonebeek is waarschijnlijk bij een brand verloren gegaan.
Het waardeel in de marke maakte een belangrijk deel uit van het vermogen van een Schoonebeeker boer. Ze vererfden van generatie op generatie en bleven verbonden aan de familieboerderij. Maar soms werd een boerderij in tweeën gesplitst omdat er twee zoons waren. Ze kregen dan bijvoorbeeld ieder de helft van een waardeel. En als je in de financiële problemen zat kon je het waardeel ook verkopen. Dat overkwam Aaltien Lubbers, de weduwe van Engbert Gijlers, rond 1658. Door het overlijden van haar man zat ze in de financiële problemen en ze kreeg toestemming om haar halve waardeel te verkopen. Dat werd in 1662 gekocht door Lambert Jonckotten en zijn vrouw Anna Wenninge. Lambert was schoolmeester op Schoonebeek en kocht na zijn huwelijk diverse stukken grond, waaronder het aandeel in de Schoonebeeker marke van de weduwe Gijlers. De familie Lamber(t)s in Schoonebeek stamt af van deze Lambert Jonckotten, die waarschijnlijk uit de graafschap Bentheim kwam.
Tussen de Koelveenweg en de grens met Duitsland ligt een gebied van twaalf kilometer lang dat tot het begin van de 19e eeuw de Schoonebeeker marke vormde. Hier stonden 30 booën. Vanaf 1814 werd het gekoloniseerd door inwoners uit Münster en ontstond Nieuw-Schoonebeek.
Schoonebeek verdiende tot het begin van de 19e eeuw veel geld met vetweiderij van runderen. In 1943 werd hier aardolie gevonden en vanaf de zomer in 1945 groeide hier de aardolieindustrie uit tot het Texas van Nederland. Op deze plek lag vroeger de gezamenlijke hooiweide van Schoonebeek, het Blick.
Schoonebeek is bekend om haar welvarende historie, de voormalige vetweiderij middels een booënsysteem en in de afgelopen eeuw door oliewinning met de landschapsbepalende jaknikkers. De florerende streek kun je vergelijken met het Amerikaanse Texas en de voormalige booheren (koeherders) met cowboys. Kort nadat er in Coevorden olie werd gevonden werden de eerste putten in deze buurt geboord. Er werden ruim 40 boorlocaties aangelegd, met ieder soms drie of vier putten. Daarnaast stonden er in deze omgeving meetstations MS5 en MS6. Olie kwam via pijpleidingen naar de meetstations en werd hier opgeslagen en verwarmd, om via een grote pijpleiding af te worden gevoerd naar de Ruwe Olie Verlaadplaats (ROV), een treinstation waar de olie werd verladen in een olietrein. Per spoor ging de olie in wagons naar de raffinaderij in Pernis. Wegens te laag rendement werden in de jaren 90 van de 20e eeuw de boorlocaties en boorstations ontmanteld en gesaneerd. In het oostelijk wingebied van het Schoonebeekerveld is nog de grootste olievoorraad aanwezig. Maar omdat de winning in het westelijke deel beter gaat, vindt daar tegenwoordig de oliewinning plaats.
Het wingebied waar we nu staan was voorheen het dichtst bij Schoonebeek gelegen deel van de Schoonebeeker marke. Het bestond enerzijds uit een gemeenschappelijk hooigebied van de Schoonebeeker boeren, dat ‘het Blick’ werd genoemd en bestond uit vier delen: Korte Blick, Lange Blick, Dwarsmaten en Sakkenmaten. En verder bestond het uit de voormalige boogronden van diverse Schoonebeeker boerenfamilies: Eisen, Engbers, Lambers, Mulders, Prinsen en Uny. Het gebied ligt tussen de Ellenbeek, het Schoonebeekerdiep of de GrenzAa en de voormalige Zwarte Racker in.
Het booëngebied was vanaf het centrum van Schoonebeek te bereiken via een zanddijk, die in verband met het onderhoud door de boeren in stukken (panden) was verdeeld. In 1904 kocht de gemeente Schoonebeek een stuk grond aan het begin van de zanddijk bij het Koelveen om geld binnen te halen voor de financiering van de verharding van de zanddijk. De dijk was namelijk met klinkers bestraat. De tol werd door de gemeente verpacht, maar lang was de tolboom niet in gebruik. Na klachten in 1919 van de Nieuw-Schoonebeekers over de belemmering van het verkeer werd op 1 mei 1920 de tol opgeheven, hoewel het laatste pachtcontract nog liep tot eind april 1923. Eind 1924 kocht de bewoonster van het tolhuis, Hillegje Engberts weduwe van Lukas Elzing, het voormalige tolhuis.
Schoonebeek verdiende tot het begin van de 19e eeuw veel geld met vetweiderij van runderen. In 1943 werd hier aardolie gevonden en vanaf de zomer in 1945 groeide hier de aardolieindustrie uit tot het Texas van Nederland. Op deze plek lag vroeger de gezamenlijke hooiweide van Schoonebeek, het Blick.
De meest bekende boo is de Wilmsboo, oorspronkelijk eigendom van de familie Wenny maar in 1816 gekocht door Wilms. In 1975 werd de boo gerestaureerd, maar in 2024 in de brand gestoken door een inwoner van Nieuw-Schoonebeek. Herbouw volgde in 2008. Het is nu een woonhuis en B&B.
De meest bekend boo van Schoonebeek is ongetwijfeld de Wilmsboo. Van oorsprong was dit geen boo van de familie Wilms, maar van de familie Wenninge of Wenny. De Engbert Wenny-boo grensde ten oosten aan die van Poppen en ten westen aan de boo van Klaassen. De familie Wenny behoort tot de eerste families die zich in Schoonebeek vestigden in het begin van de 13e eeuw. In een schattingsregister van 1445 werden Jan Wennyngh, Evert Sasse en Ghert Wennynck genoemd. Ook Evert Sasse was een Wenny. De familie Wenny breidde zich al vrij snel uit en had vier boerderijen in het Westersebos: twee Wenny-erven en twee Sassen-erven. Ze hadden daardoor een groot deel in de Schoonebeeker marke, waar ze maar liefst vier booën hadden. De Wenny-boo die we nu als Wilmsboo kennen hoorde bij het Wenny Hans huis aan het Westersebos 16. De oudst bekende inwoner van dit erve was de Jan Wennyngh uit 1445. Het erve ging generaties lang over binnen de familie, soms van vader op zoon, soms van vader op dochter en schoonzoon.
In 1770 werd nakomeling Engbert Wenny boer op het Wenny-Hans-erve en huwde in 1781 met Geesjen ten Pathuis. Zij verkochten in mei 1816 de Wenny-boo voor ƒ 1.600 aan Hendrik Wilms, waarna de boo als Wilmsboo bekend werd. De boo bleef daarna enkele generaties in handen van de nakomelingen Wilms, die eigenaar waren van het Wilmserve aan het Oostersebos 11 en het herenhuis ‘Mannihof’ aan de Europaweg. Ze waren inmiddels gestopt met boeren en bestuurder geworden bij gemeente, provincie en in diverse organisaties. In 1848 en 1849 verkocht de familie Wilms het overgrote deel van de landerijen bij de Wilmsboo aan inwoners van Nieuw-Schoonebeek: Anna Margaretha Conen-Dost, Berend Kempker, Berend Hendrik Albers en Berend Bakkers. De veestalling, hooischuur en omliggende landerijen bleven in handen van Wilms. De beroemde Friese boederijenonderzoeker Klaas Uilkema maakte in 1920 een uitgebreide beschrijving van de Wilmsboo.
In verband met restauratie werd in 1973 de Wilmsboo door Gerrit Jan Wilms voor ƒ 1 aan de Gemeente Schoonebeek verkocht. In 1975 werd het eigendom overgedragen aan de Stichting “De Spiker” te Schoonebeek, die in 1975 de gebouwen liet restaureren. Medio oktober 2004 brandde de gerestaureerde Wilmsboo door brandstichting af. In verband met de geplande herbouw vonden in zomer 2007 dendrochronologische en archeologisch onderzoeken plaats. In 2008 werden de gebouwen herbouwd onder leiding van Het Drentse Landschap, die de nieuwe eigenaar werd. Het geheel werd op 4 juni 2008 door H.K.H. Prinses Margriet der Nederlanden geopend. De veestalling was herbouwd tot een woning en de hooischuur tot bed & breakfast met vergaderruimte.
De meest bekende boo is de Wilmsboo, oorspronkelijk eigendom van de familie Wenny maar in 1816 gekocht door Wilms. In 1975 werd de boo gerestaureerd, maar in 2024 in de brand gestoken door een inwoner van Nieuw-Schoonebeek. Herbouw volgde in 2008. Het is nu een woonhuis en B&B.
Fietsknooppunt 88
Nieuw-Schoonebeek
Navigeer naar eindpunt