Koloniën van Weldadigheid

Nederland staat er slecht voor na verschillende oorlogen. In de steden zijn veel armen die aan hun lot worden overgelaten. Deze armoede is Johannes van den Bosch een doorn in het oog. In 1818 richt hij daarom de Maatschappij van Weldadigheid op. Arme gezinnen, bedelaars en zwervers kunnen gaan werken in één van de Kolonien van Weldadigheid. Ze krijgen een eigen woning en een stukje grond om te bewerken. In ruil hiervoor maken ze onvruchtbaar land klaar voor agrarisch gebruik. Een hard bestaan, waar de kolonisten door middel van arbeid en scholing discipline wordt bijgebracht, zodat ze na verloop van tijd in hun eigen onderhoud kunnen voorzien. 

Proef- en dwangkolonies

In totaal richt de Maatschappij van Weldadigheid zeven koloniën op. Twee daarvan zijn voor armen die vrijwillig voor het koloniebestaan kiezen. In de overige vijf worden bedelaars en landlopers gedwongen opgenomen. De dwangkoloniën zijn grote en dichtbevolkte gestichten, waar men dag en nacht onder bewaking staat. De bewoners zijn eigenlijk gevangenen.

Veel zichtbare sporen

Het grootste oppervlak van de Koloniën van Weldadigheid ligt in Drenthe, in Veenhuizen, Frederiksoord en Wilhelminaoord. Maar er zijn ook koloniën in Friesland, Overijssel, en het Belgische Antwerpen opgericht. De bewoners van de koloniën vormden in totaal maar liefst 80 km² woest landschap eigenhandig om tot landbouwgrond met kaarsrechte lanen en keurige gebouwen. Deze structuur is nog steeds duidelijk zichtbaar in het Drentse landschap.

Tips in Veenhuizen

Tips in Frederiksoord