Het Bargerveen is één van de laatste nog ongerepte hoogveengebieden in Noordwest-Europa en ligt direct ten noorden van het booëngebied in de Schoonebeeker marke. Na de laatste IJstijd begon zo’n 10.000 jaar geleden het klimaat warmer en vochtiger te worden. In het stagnerende water van de beekdalen ging veenmos groeien. Het veen bleef doorgroeien en zo ontwikkelde zich tussen de rivieren en Hunze en Eems een enorm veenmoeras: het Bourtanger moeras. Het was ooit 3.000 vierkante kilometer groot, waarvan een klein gedeelte tegenwoordig wordt beschermd als het natuurgebied Bargerveen. Uitlopers van de Hondsrug strekten zich uit tot in het gebied van het huidige Nieuw-Schoonebeek.
In mei 1984 werd ten oosten van Nieuw-…
Het Bargerveen is één van de laatste nog ongerepte hoogveengebieden in Noordwest-Europa en ligt direct ten noorden van het booëngebied in de Schoonebeeker marke. Na de laatste IJstijd begon zo’n 10.000 jaar geleden het klimaat warmer en vochtiger te worden. In het stagnerende water van de beekdalen ging veenmos groeien. Het veen bleef doorgroeien en zo ontwikkelde zich tussen de rivieren en Hunze en Eems een enorm veenmoeras: het Bourtanger moeras. Het was ooit 3.000 vierkante kilometer groot, waarvan een klein gedeelte tegenwoordig wordt beschermd als het natuurgebied Bargerveen. Uitlopers van de Hondsrug strekten zich uit tot in het gebied van het huidige Nieuw-Schoonebeek.
In mei 1984 werd ten oosten van Nieuw-Schoonebeek op een keileemschol een nederzetting gevonden uit de perioden van 5000 en 6500 voor Christus. Blijkbaar was er tot twee maal toe sprake van Mesolithische of Middensteentijdse activiteiten op deze plek. Er werden in het onderzoeksgebied elf brandhaarden gevonden en in totaal 7.645 vuurstenen voorwerpen, waarvan drie procent als werktuig was gebruikt: trapezia, schrabbers, klingen en kernen. De jagers en vissers die hier toen verbleven hebben hun sporen nagelaten voordat er sprake was van veenvorming. Ze hadden er maar een verblijf van korte duur. Een deel van het houtskool van de haardjes was afkomstig van bomen met dikke stam, zodat er zeker bomen gekapt zijn. Toen ze plek weer verlaten hadden, zullen de open plekken na enige tijd weer met bos overgroeid zijn geweest.
Het lijkt erop dat het daarna lang heeft geduurd voor er weer menselijke activiteiten in dit gebied waren. Waarschijnlijk waren dat de Schoonebeeker boeren die in ieder geval al in het begin van de 15e eeuw hier hun booën plaatsten en hun runderen hier weidden.
Eén van de gevaren waarmee de veehouders te maken hadden was de wolf. In de 16e eeuw kwam deze nog voor in Noord-Nederland. In 1645 werd nog de vergoeding vastgelegd voor o.a. een uitlandse wolvenjacht over Lintelo of over de Twist. Dit betekende dat er gemeenschappelijke wolvenjachten werden georganiseerd door de Drenthen, Munstersen en Sallanders, ondermeer in de Twist in het uiterste oosten van het Schoonebeeker booëngebied. In juli 1656 vond er zo’n grote gezamenlijke wolvenjacht plaats, waarbij de inwoners van Gross-Fullen, Klein-Fullen, Versen, Ringe, Rühle, Klein-Hesepe, Gross-Hesepe, Boeklo, Dalum, Wachendorf, Wietmarschen, Velthusen en Schoonebeek moesten deelnemen: ‘daβ im Moraβ zwischen Hesepe, Withmerschen und Schonebecke belegen Wulfe befunden werden’. Vanuit de oostelijk gelegen plaatsen in het bisdom Münster werd naar het westen gedreven, en vanuit het westen – o.a. vanuit het booëngebied bij Schoonebeek – werd opgedreven naar het oosten. Op deze wijze zou de wolf moeten zijn ingesloten. Met een jachtnet en speciale tangen werden de wolven gevangen en daarna gedood.
In 1740 schoten de inwoners van Dalen en Schoonebeek een tamelijk jonge wolf, die eerst in Schoonebeek en daarna in Dalen in triomf aan een paal werd gehangen. In september 1772 werd voor zover bekend de laatste wolvenjacht in Drenthe gehouden. Diverse kerspelen uit Drenthe namen deel, o.a. de inwoners uit Schoonebeek, die het veen boven Zuidbarge moest doorjagen en de maden tussen Sleen en Emmen.