Ringer booën

Locatie: Ringe

Niet alleen de Schoonebeeker boeren hadden booën laten bouwen, ook aan de zuidzijde van de grensrivier het Schoonebeekerdiep of de GrenzAa werden booën gesticht door de boeren uit Grossringe. De booën in het graafschap Bentheim werden nagenoeg in dezelfde periode voor het eerst genoemd als de Schoonebeeker booën. De laatste werden voor het eerst vermeld in het grondschattingsregister van 1654. De Grafschafter booën verschijnen voor het eerst in het Landbuch van 1656. Op een landkaart die Johannes Westenberg in de periode 1620-1632 tekende staan de booën op beide zijden van de grensrivier afgebeeld als ‘Koboden’.

De Friese onderzoeker Klaas Uilkema was bij…

Niet alleen de Schoonebeeker boeren hadden booën laten bouwen, ook aan de zuidzijde van de grensrivier het Schoonebeekerdiep of de GrenzAa werden booën gesticht door de boeren uit Grossringe. De booën in het graafschap Bentheim werden nagenoeg in dezelfde periode voor het eerst genoemd als de Schoonebeeker booën. De laatste werden voor het eerst vermeld in het grondschattingsregister van 1654. De Grafschafter booën verschijnen voor het eerst in het Landbuch van 1656. Op een landkaart die Johannes Westenberg in de periode 1620-1632 tekende staan de booën op beide zijden van de grensrivier afgebeeld als ‘Koboden’.

De Friese onderzoeker Klaas Uilkema was bijzonder geïnteresseerd in de bouwgeschiedenis van de booën, dat hij ook een bezoek bracht aan één van de booën in het graafschap Bentheim. Voor Uilkema was de brandende vraag of de boo als uitgangsvorm moest worden beschouwd van het Friese of van het Saksische huistype. Omdat hij aan de Nederlandse zijde niet veel studiemateriaal had – de meeste booën waren namelijk al verdwenen – bestudeerde hij in 1927 de booën aan de Duitse kant. Uilkema trok de conclusie – waarbij hij door andere onderzoekers werd ondersteund – dat de boo het meest deed denken aan het oud-Friese woonstalhuis, een zogenaamd langhuis. Deze boerderij bestond oorspronkelijk uit twee delen: het binnehûs (de woning van de boer) en het bûthûs (de koestal), die gescheiden werden door een muur. De veestal bestond uit een dubbele rij koestallen, waarin de koeien twee aan twee werden gestald tussen tenen of houten schotten. De daken waren gedekt met riet of stro. De toegang tot de stal en het woongedeelte was via de korte achtergevel. De oud-Friese greidboerderij vond volgens onderzoekers zijn oorsprong in het Fries-Groningse woonstalhuis of terpboerderij. In 1933 deed de befaamde archeoloog Van Giffen een opgraving en van de terp van Ezinge en de daar gevonden plattegronden van de boerderijen zijn één op één te vergelijken met die van de Schoonebeeker booën. De oorspronkelijke bewoners van Schoonebeek, die zich begin 13e eeuw in dit gebied vestigden, kwamen waarschijnlijk van het Fries-Groningse Dollardgebied. Dat de terpboerderij als basis voor de boo door hen werd meegenomen is dus goed te verklaren. Als veestal overleefde dit boerderijtype. Hun eigen boerderijen in Schoonebeek werden in de loop van de eeuwen verbouwd en daar werd het Saksische hallentype toegepast en verdween waarschijnlijk het oorspronkelijk gebruikte oud-Friese greidboerderij.

Bij de grensovergang tussen Nieuw-Schoonebeek en Duitsland, aan de Aalminksweg, stonden dicht bij elkaar booën van vier Grossringer landbouwers: Stegemann, Aalmink, Robbert en Bremann. Het Aalmink-erve behoorde tot de oudste boerderijen van Grossringe. In 1393 werd Jutte van Lare beleend met de tienden over het erve. Vóór 1500 was het Aalmink-erve al in bezit van het klooster Wietmarschen. De horige Aalmink moest jaarlijks als pacht zeven mudden rogge en een haan leveren. Albert Masselink was tijdens de Tweede Wereldoorlog booheer (koeherder) op de Goormanns-boo en hij bezocht dan om de lange avonden door te komen zijn collega van de Aalminks-boo. Dat was op dat moment een Rus, die zelf sterke drank stookte. Masselink dronk iets te enthousiast mee met de Rus en hij had geluk dat hij tijdens de koude vriesnacht veilig zijn eigen onderkomen bereikte.

Jutte van Lare werd in 1393 ook beleend met de tienden over het Stegemans-erve, dat in 1486 werd verkocht ook aan het klooster in Wietmarschen. En ook met de tienden van het erve ‘de Brede’ ofwel Breemann werd Jutte van Lare in 1393 beleend. Omstreeks 1870 verkocht Bremann zijn boomaat voor maar liefst 13.000 goudgulden aan landbouwer Robbert. In 1499 beleende Heine van Lahr de richter in Veldhausen met de tienden over het Robertinck-erve, dat eigendom was van de adellijke familie Von Ketteler. Toen in 1650 graaf Ernst Wilhelm van Bentheim de Kettelerse goederen verwierf, werd Robbert horig aan de graven van Bentheim. Over de boogebouwen van deze vier Ringer erven is weinig informatie bekend.

Contact

Schoonebeeker Diek 41
49825 Ringe
Plan je route naar Ringer booën

vanaf jouw locatie


In de buurt

Toon resultaten

Help jij ons om jouw ervaring op drenthe.nl te verbeteren?

Doe mee aan ons onderzoek.
Je deelname duurt 2 tot 5 minuten.