Voorleesverhaaltje | Fred, grazend enthousiast

De Drentse Hooglanders Fred en Boris: Samen sterk!

Er was eens een Drentse Hooglander, Fred, die samen met zijn zusje Vera, zijn ouders en de rest van de familie op en rondom de allerhoogste berg van het Drentse Holtingerveld woonde: de Havelterberg!

Op een dag roept de vader van Fred, Eduard, alle kalfjes van de familie bij elkaar. Eduard is het hoofd van de kudde en roept de jonge Hooglanders alleen bijeen als er echt iets aan de hand is.

“Boris, Boris kom! Mijn vader gaat ons iets vertellen. Misschien moeten we wel op patrouille met de volwassenen.” Fred struikelt bijna over zijn woorden van enthousiasme als hij zijn neef Boris optrommelt voor de bijeenkomst.

“Fred, rustig. Hoe kun je ’s ochtends nou al zo druk zijn?”, antwoordt Boris terwijl hij achter zijn neefje aan sjokt. Hij had liever eerst even rustig ontbeten, denkt hij terwijl hij naar het lekkere, natte ochtendgras kijkt.

Als alle neefjes en nichtjes zich in een kring rondom Eduard hebben verzameld, kijkt het hoofd van de kudde ze één voor één aan. “Meisjes en jongens, luister goed. De afgelopen week hebben we ’s nachts meerdere keren een wolf gesignaleerd. We moeten op onze hoede zijn.”

“Ieh! Wat eng. Zijn we nu in gevaar?” vraagt Evi met een trillende stem. Evi is het zusje van Boris.

“Doe niet zo dom Evi. We zijn toch niet bang voor een wolf!”, roept Fred stoer terwijl hij een rondje om zijn neefjes en nichtjes rent.

“Boris, stil! Evi, ik snap heel goed dat je bang bent, maar DrentseHooglanders zijn oerbeesten, als we samenblijven heeft een wolf geen schijn van kans” stelt Eduard zijn nichtje gerust. “Daarom geldt er een nieuwe regel: als jullie de kudde verlaten, moeten jullie minimaal met z’n vieren zijn. Al-tijd.” Dan richt Eduard zich tot zijn zoon en neefje. “Boris, Fred, hebben jullie me gehoord?”

“Ja oom Eduard”, antwoordt Boris snel.
“Fred?”
“Jaaaa pap”, zegt Fred ongeduldig.

Als Boris en Fred even later teruglopen, begint Fred meteen met klagen: “Die meisjes kunnen veel minder snel rennen dan wij en dan moeten we ook nog onze geheime veld met ze delen. Daar heb ik écht geen zin in. We gaan vanmiddag gewoon zonder ze, ik haal je na het middageten op.” Voordat Boris iets kan zeggen, is Fred al weggerend. 

‘Als oom Eduard zegt dat er een wolf is, is het wel echt beter om samen met de meiden te gaan’, denkt Boris bij zichzelf. ‘Aan de andere kant: dan moeten we het sappige gras delen met vier in plaats van twee.’

Na het middaguur draven de twee Hooglanders zoals afgesproken naar hun geheime grasveld. Ze hebben de plek bij toeval ontdekt en het gras is er groener, sappiger en langer dan waar dan ook. Elke dag mogen ze van zichzelf een uurtje eten, zodat ze er niet te snel doorheen zijn.

Fred ziet dat zijn neef niet zo vrolijk is als normaal. “Het komt echt wel goed. Als we doorrennen zijn we voor het donker terug”, probeert hij Boris op te beuren.  

Boris hoort Fred maar half. Hij kijkt constant om zich heen en heeft zijn oren gespitst. Bij elk geluid schrikt hij op. Had hij niet toch beter thuis kunnen blijven?

Als de neefjes eenmaal op het veld zijn, doet de aanblik van al het heerlijke eten ook Boris’ zorgen als sneeuw voor de zon verdwijnen.

Maar, wanneer de jongens hun buikjes zo goed als rond hebben gegeten, schrikken ze op van geritsel verderop in het veld.

“Hoor je dat? Wat moeten we doen?”, fluistert de anders zo stoere Fred met een trillende onderlip.

“Snel, ga op de grond liggen en verroer je niet!”, zegt Boris zachtjes, terwijl hij voorzichtig door zijn achterpoten zakt en zich zo klein mogelijk maakt.

Terwijl de neefjes doodstil naast elkaar liggen, biggelt er een traan over de wang van Fred. ‘Waarom moest ik hier nou zo nodig heen? Als we straks opgevreten worden door een wolf, is het mijn schuld’, denkt hij.

Het geritsel komt steeds dichterbij. Fred en Boris houden hun adem in.

“Woehoe”, klinkt een vreemd soort gejank op nog geen vijf meter afstand.

Fred en Boris kijken elkaar aan. Hun hart klopt in hun keel en ze trillen over hun hele lijf.

Dan springen Evi en Vera tevoorschijn. Ook bij hun biggelen er tranen over hun wangen – maar dan van het lachen.

“Je had jullie gezichten moeten zien”, schatert Vera. Ze heeft haar broer en neef nog nooit zo bang zien kijken.

“Ik kom niet meer bij”, proest Evi terwijl ze over de grond rolt. “Jullie dachten echt dat wij de wolf waren hè?”

“Moest dat nou?”, valt Fred uit. Hij kan zich niet herinneren dat hij ooit eerder zo bang was. En dat allemaal door een stomme grap. Van zijn eigen zusje en nichtje notabene.

“We zijn jullie stiekem gevolgd. Eigenlijk waren we dus de hele tijd met z’n vieren, zoals moest van papa”, legt Vera lachend uit.

“Ja, eigenlijk hebben we jullie alleen maar geholpen”, valt Evi haar nichtje bij.

Fred en Boris kijken elkaar aan en dan barsten ook zij in lachen uit. Van opluchting. Eigenlijk is het ook best grappig. Als ook de dames genoeg hebben gegeten van het sappige gras, lopen ze samen terug naar de kudde.

“Volgende keer gaan we gewoon weer mee hoor, jongens. Samen staan we sterk”, roept Vera.

“En trouwens, zo langzaam zijn wij niet”, zegt Evi terwijl ze Vera een seintje geeft. Samen galopperen ze de jongens op volle snelheid voorbij.

Dit verhaal is geschreven door Aafke Eppinga
De illustraties zijn getekend door Alieke Eising

Fred grazend enthousiast, the movie

Wil je nog meer zien van Fred en zijn famlie in de Drentse natuur? Bekijk dan nu de film.